A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | U | V | W | Z

New Philadelphia Book Publisher Highlights Local Talent
Book and Publishing News from Publishers Newswire(tm)

Looking for Child to be on Cover of a New Book, 'The Model Child'
PHILADELPHIA, Pa. -- The Philadelphia literary world will celebrate the launch of two new players today, April 10th: Kay Square Press, a new publishing company focused on Philadelphia-area artists, their stories, and their art; and Kay Square's first release, 'With the Rich and Mighty: Emlen Etting of Philadelphia' (ISBN: 978-0-9815129-0-7), a critical biography by Kenneth C. Kaleta.

FlatSigned Press Alleges Don Imus Remarks Damage Legacy of President Gerald R. Ford
NEW YORK, N.Y. -- Nathan Yungerberg, an accomplished model scout and professional child photographer is launching a nation-wide casting call to find the cover model for his highly anticipated book release, 'The Model Child: A Parents Guide to the Child Modeling Industry' (ISBN: 978-0-9817018-0-6).


Book: Lente

C >> Cyriel Buysse >> Lente

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10


LENTE

Cyriel Buysse

1907



INHOUD.

LENTE.

OBSESSIES.
I. Het bezoek van engel Gabriel op aarde.
II. Het hondje.
III. Het slecht vijffrankstuk.
IV. "Den Binder".
V. Restitutie.
VI. De Stier.
VII. Berouw.
VIII. Peetje Pruis.
IX. Van toekomst en verleden.



LENTE

Tante Zeunia lag op sterven...

Belzemien en Standje waren haar in der haast nog eens gaan bezoeken
en hadden haar zeer zwak gevonden. Zij had geen adem meer en haar
beenen waren dik gezwollen van het water. Alleen de geest bleef
tamelijk helder. Tante maakte zich geen illuzies over haar toestand.

--'t Es uit mee mij," had ze zuchtend-hoofdschuddend gekreund. En nog
eens had ze gevraagd naar Leontientje, klagend dat zij 't kind in
zooveel jaren niet gezien had, vreezend dat ze sterven zou, zonder
haar nog eens te zien.

--Willen w' heur schrijven dat ze komt, Tante?" had Belzemien
voorgesteld, steeds bezorgd, de stervenszieke, rijke erftante in al
haar grillen te voldoen.

--Ha... ge zoedt meschien keune probeeren," had Tante gezucht.

En Belzemien, en ook Standje, hadden beloofd dat zij nog
dienzelfden avond zouden schrijven.

Leontientje was Tante Zeunia's eenig achternichtje. Haar moeder, te
Parijs met een Vlaming getrouwd en aldaar overleden, was
Belzemien's, en Standje's zuster. Ook zij hadden het kind sinds
lange jaren niet teruggezien. Zij was voor 't laatst bij hen gekomen
tijdens haar Eerste Communie, die zij op 't geboortedorpje had
gedaan, een jaar of tien geleden. Heel kort daarop was haar moeder
gestorven, en de familie-relaties, door tijd en afstand toch al zeer
verzwakt, hadden daarmee zoo goed als opgehouden.

Belzemien en Standje drukten stil-troostend, zonder overtuiging,
Tante's slappe, als een rond kussentje glimmend=gezwollen hand en
verlieten, door de non-verpleegster tot aan de voordeur vergezeld,
het somber en bedompt klein-renteniershuisje, waar Tante, sinds zij
haar boerderij verliet, de laatste dertig jaren van haar leven
suf-eentonig met een dienstmeid had gesleten. Zij ademden weer vrijer
toen zij buiten waren en spoedden zich huiswaarts.

--Wat dijnkt er ou van?" vroeg Standje.

--Dat 't uit es, al uren uit," antwoordde Belzemien.

--Joa moar, aangoande Leontientsje, wil ik zeggen?" meende Standje.

--Ooo!..." zei Belzemien eensklaps zeer gewichtig. "Ha... we zille
wij moete schrijven, e-woar?"

Beiden liepen een poosje zwijgend door de stille dorpstraat, ieder
verdiept in zijn eigen gedachten. Er drukte een vage, onuitgesproken
bezorgdheid op hun gemoed. Ja, 't was wel vervelend dat Tante daar
steeds op terugkwam. Wat had ze nu toch eigenlijk aan dat
achternichtje, dat ze slechts twee-of-driemaal in haar leven had
gezien? Als ze die nu maar niet in haar testament ging bevoordeelen!
Belzemien schudde 't hoofd en zei, antwoordend op een onuitgedrukte
vraag van zijn jongeren broeder:

--Ouwe meinschen hen oardige gedachten, moar doar 'n es niets aan te
doene: we moete schrijven. As we 't nie 'n deen zoe z' ons meschien
keunen ontirven."

--Loat er ons thuis op ons gemak mee Coben en Kerdule over spreken,"
raadde Standje.

Zij waren buiten 't dorp gekomen en volgden nu met vlugge schreden
den zandigen landweg, die in blonde bochten kronkelde, vlak zonder
omgrenzende slooten noch boomen, als een lang, bleek, slingerlint,
achteloos midden in de weelde der malschgroene lentevelden
neergeworpen. De zachte meilucht was wazig-teerblauw met gouden
glanzingen in 't westen, waar de zon achter verre boomen onderging,
en overal zongen de leeuwerikjes met hun jubelende stemmen de
illuzie-volle blijheid der nog vele, rijke en schoone dagen tegemoet.

Belzemien haalde zijn koperen snuifdoos uit en nam een snuifje. Hij
was ongeveer vijftig jaar oud, lang en mager, maar reeds wat
gebogen, met schrale, opstekende schouders en ietwat holle borst.
Zijn fijn-besneden, langwerpig gezicht met sterk-roze wangenkleur
was frisch geschoren, zijn lange, fijne, witte neus stond als een
vogelsnavel gekromd, en zijn oogen, lichtblauw en klein, hadden een
seherp-oolijke uitdrukking, vol leuke achterdocht en sluwheid. Geen
stofje vlekte zijn wit hemd en zijn donkere kleeren; en op zijn
dunne, sluike, gespikkelde haren droeg hij een zwart-zijden pet, zoo
keurig netjes en strak midden op het hoofd gepast, dat er geen enkel
vouwtje noch plooitje in te bespeuren was. Belzemien, de oudste der
vier kinderen Goetgebuer, die samen, ongehuwd, hun eigen
boerderijtje bebouwden, was ook het hoofd van 't huis, "de boer" der
hofstede; en zijn wijsheid en bekwaamheid in vele zaken had hem
daarenboven de eer van een zetel in den dorpsgemeenteraad doen
verwerven.

Standje, tien jaar jonger, leek op zijn ouderen broeder, maar
zonder dezes uitdrukking van fijnheid, sluwheid, netheid en
beschaving. Ook hij was lang en mager, met gebogen neus, hooge
schouders en holle borstkas; doch een schrale, bruine baard bedekte
en bevuilde als 't ware de hard-roze kleur der wangen en zijn blauwe
oogen hadden iets grappig-lodderigs, alsof hij voortdurend een
glaasje te veel op had. Toch dronk hij niet buitensporig, maar hij
hield er wel van en nam gretig elke gelegenheid te baat om er eens
uit te wippen en zich op kermissen en feesten te gaan amuzeeren.
Belzemien, en ook zijn zuster Cordula, die het huishouden deed en
nog al streng was, moesten Standje voortdurend ietwat inhouden. Elke
zondag werd hem een afgepast zakgeld ter hand gesteld, waarmede hij
zich trouwens tevreden stelde, en knappe dienstmeiden werden liefst
op 't boerderijtje niet gehuurd.

De beide broeders waren, links, aan een zachtglooienden zijweg
gekomen en sloegen dien in, waar enkele hofsteden stonden, hun witte
geveltjes en spitse, grijze stroodaken half in de opwolkende pracht
der bloeiende boomgaarden verscholen. Daar kronkelde een helder
beekje tusschen glanzende, malschgroene weiden, bij plaatsen als
het ware geel en wit bepoeierd door een wilde woekering van
boterbloempjes en madeliefjes; en zelfs het water was hier en daar
nagenoeg toegedekt door een dichte deken van verrukkelijke
sterrebloempjes met oranje hartjes, waarover, fijn-gracieus en licht
als doorschijnende veertjes, azuren waterjuffertjes heen en weder
zweefden. Belzemien en Standje, enkel met hun gedachten bezig,
schreden over het boogbrugje met witte, afzakkende zijmuurtjes,
volgden een eindje het kronkelpad langs den oever, duwden een laag,
grijs hekje open in een haag en kwamen in den zacht-opglooienden
boomgaard van hun boerderijtje.

Het woonhuis stond daar, zijn witten voorgevel glinsterend
goud-omglansd in de rooddalende zon, met heel lichtblauwe luikjes en
glimmend-rood pannendak onder de roze-wit bloeiende kruinen; en even
verder, achter de ruige, knoestige, schots en scheef gegroeide
stammen, schemerden de bruin-roze schuren en stallen, met hun
wazig-grauwe, onder de overvloedig-rijke woekering der frissche
lentebloeisels verdwijnende stroodaken. Juist kwam Coben, de derde
broeder, met kar en paarden terug van den akker, en, onder den boog
van het deurgat, op den drempel van het woonhuis, verscheen meteen
Cordula, de zuster, ongeduldig verlangende naar nieuws.

Zoodra Coben zijn broeders ontwaarde overhandigde hij de leidsels
van zijn paarden aan Bruuntje, den knecht, die uit de schuur
geloopen kwam, en haastte zich naar het woonhuis toe, waarin
Cordula reeds weer verdwenen was, door Belzemien en Standje
gevolgd.

--Hawel?" vroegen, met star-schitterende oogen van nieuwsgierigheid,
de thuis-gebleven broer en zuster tegelijkertijd.

--Hawel, 'k zal ulder da ne kier goan vertellen," zei Belzemien, met
een glimlach der fijne lipjes zijn plaats als hoofd van 't huis in
den leunstoel bij den haard innemend. En hij begon een langdradig en
ingewikkeld verhaal van hun bezoek aan Tante.

Coben en Cordula luisterden, strak-roerloos naast den dooden haard,
met diepe aandacht en emotie, zonder eenig ongeduld om zijn
langdradigheid, elk woord uit de dunne lippen van hun wijzen ouderen
broer opvangend. Cordula, vier jaar jonger dan Belzemien, had een
beenderig, getaand gezicht met grooten, half openhangenden mond,
groote, donkere oogen en twee glad-gestreken vlechten donker haar,
dat glom alsof 't met olie overstreken was. Haar eenmaal zwarte
kleeren waren goor en vol vlekken en over haar schrale schouders
droeg zij een zwart-wollen, gekruisten sjaal, en op haar hoofd een
zwarte, platgedrukte, wollen muts, die aan den bovenkant vaalbruin
verkleurd was. Cordula, mager en gebogen, met smalle, ingevallen
borst gelijk haar broeders, zag er stuursch, plomp en leelijk uit.
Coben, die in leeftijd op haar volgde, vormde een sterk kontrast met
haar en met zijn broeders. Hij was klein, vierkant-geschouderd, zwaar
van bovenlijf en dun van beenen. Zijn gespikkeld haar kroesde in
dichte, kleine krulletjes tot om den rand van zijn pet en in zijn
steenrood gezicht teekende alleen de lange, beenderig-gebogen neus
scherp den familietrek af. Hij was een stotteraar en met het
stotteren hadden ook al zijn gebaren en bewegingen iets hortends en
stootends, alsof hij voortdurend in een toestand van opgewondenheid
verkeerde. Zijn positie in 't gezin en op de boerderij was een min of
meer ondergeschikte, zoowat half baas, half knecht. In plaats van
laarzen en een jas, zooals Belzemien en Standje, droeg hij klompen en
een blauwen kiel. Als een knecht werkte hij met ploeg en paarden op
den akker; als een meester hield hij toezicht op het werk van
Bruuntje, die, met het koewachtertje Pierken, de eenige gehuurde
knechts der hoeve waren.

--Wel sakerdeeke! En moet da jonk hier bij ons komen!" riep
wenkbrauw-fronsend Cordula, toen Belzemien ten slotte het nogmaals
herhaald en uitdrukkelijk verlangen van Tante kenbaar had gemaakt.

--Ha, da zal wel, e-woar?" meenden Belzemien en Standje.

Coben, roerloos en zwijgend, stond zenuwachtig te sidderen, alsof
hij de zaak nog niet heel duidelijk begreep.

--Joa moar, veur hoe lank?" vorschte de zuster, op nijdigen, bijna
agressieven toon.

Voor hoe lang!... Ja, wie kon dat vooruit zeggen?--Alles zou er van
afhangen hoe het verder met Tante verliep, en ook, natuurlijk, van
den tijd dien 't nichtje hier besteden mocht. Wie weet, misschien zou
ze al heel spoedig terug moeten. Haar vader zou haar waarschijnlijk
niet lang kunnen missen. En trouwens, hoe dan ook, in geen geval
mocht men haar bij Tante haar intrek laten nemen. Dat kon vooreerst
niet, in 't huis van zoo'n stervenszieke; en daarenboven 't groot
gevaar voor 't erfdeel! Neen, neen: zij moesten haar bij zich houden,
haar bewaken, haar geen enkel oogenblik met Tante alleen laten. Haar
deel,--dat van haar overleden moeder--mocht en zou ze hebben, maar
ook niets daarbuiten, geen voorrecht boven een van hen allen!

--Ha da da da es toch 'n dijngen Da da da es toch 'n
dijngen!".hakkelde nu ook eindelijk Coben, door de onverwachte
mededeeling heelemaal geschokt. En ook hij bromde even scherp op
Tante en op haar ongerijmd verlangen om dat bijna onbekend jong
nichtje nu volstrekt te willen zien.

Maar er was niets aan te doen; hoe sterk ook tegen hun zin, waren
zij zich allen wel bewust dat Tante's verzoek onmiddellijk moest
ingewilligd worden. En Belzemien stond hoofdschuddend op, ging naar
de eetkast, waar, boven in de la, pen, inkt en papier geborgen lag,
en kwam er mede bij het venster zitten, aan Cordula's groengeverfd
werktafeltje.

--Hoe lank es da nou geleen dat Leontine hier mee heur ieste
communie geweest het?" vroeg hij, klaar om te beginnen. Zoedt-e
gulder peizen da ze 't nog zal verstoan as ik heur in 't Vlaamsch
schrijve?"

Hoe lang...? Cordula telde even op haar vingers na en wist het
dadelijk precies te zeggen. 't Was negen jaar geleden en toentertijd
sprak ze Vlaamsch zoo goed als een vlaamsche boerin. Haar vader was
toch immers ook een Vlaming en ging daar in Parijs veel met
Vlamingen om. Het sprak dan ook van zelf dat het meisje hare taal
nog zou kennen.

Ja, ja, dat was wel zeer waarschijnlijk, meende ook Belzemien; maar
toch: negen jaar, dat was lang, Leontientje was ondertusschen een
groote juffer geworden, die misschien nu en dan nog wel eens
Vlaamsch sprak, maar zeker nooit anders meer dan Fransch las; en
aangezien hijzelf toch goed genoeg zijn Fransch kende om een brief
in die taal op te stellen, zou het dan niet beter zijn, he?... hoe
dachten zij er over...? den brief ook in het Fransch te schrijven?

Hij glimlachte hen even met zijn dunne lipjes en zijn fijne oogjes
aan; en zonder notitie te nemen van Cordula's nurksch gebrom en
Coben's zenuwachtig gestotter, wisselde hij een blik met Standje,
die goedkeurend-knikkend met hem instemde, en begon:

"Ma chere niece Leontine.
"J'ai l'honeur de vous informe que...

Hij aarzelde even, hoe of hij wel oude-tante in het Fransch moest
vertalen; maar voelend dat de anderen op zijn vingers keken en hij
zijn prestige van wijzen al-weter tegenover hen op te houden had,
hakte hij maar terstond de moeilijkheid door:

"... que tante Zeunia est tre malade en danger
"de mort et quel ma charger de vous ecrire
"quel desir de vous voir avant de mourir.
"Venez donc directement comme possible
"et ecriver par quel train. Onkel..."


Weer onderbrak hij even zijn geschrift om te vragen:

--As ze komt zal d'r heur iemand van de stoassie moeten afhoalen.
Wie dan van ulder het er...?"

--Ik!... schrijft heur moar da 'k ik aan de stoassie zal zijn," zei
Standje met een soort van haast.

En Belzemien, fijn-knipoogend bij het laatste daglicht dat door
't venster glom en zijn papier goud-rozekleurig tintte, krabbelde
verder.

"... Onkel Constant seront avec le tilbury et
"cheval a la station pour vous atandre."

--Mee den tieprie, nog al! Woarveuren da, verdeeke! He ze zij gien
bienen om te goan dan, azeu 'n jonge kerte! K'n word ik wel mee den
tieprie nie afg'hoald as ik van de stoassie kome!" viel Cordula
nijdig in.

Coben, die eigenlijk het toezicht over de paarden had, poogde ook
iets in 't midden te brengen, maar hij verwarde in zijn zenuwachtig
sidderend gestotter, en Belzemien weerlegde, stilglimlachend
gezagvoerend:

--'T'n es moar veur iene kier, zuster, we moeten toch beleefd zijn.
En euk, ze zal zeker wel 'n koefferke mee hen, ne-woar?"

Toen de brief gelakt, gezegeld en door Pierken, het jong
koewachtertje, naar het dorpskantoor gebracht was, bespraken de drie
broeders en de zuster gewichtig hoe en wat zij met 't jong nichtje
op hun boerderij wel zouden doen. Cordula's meening klonk kortaf en
categorisch:

--Niets bezonders. Ze zal 't hier hen lijk of we 't zelf hen; en es
ze nie kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen!"

Coben knikte goedkeurend, maar Belzemien en Standje keken elkander
aarzelend-ondervragend aan. Zij waren allen wel een beetje bang voor
Cordula en durfden haar binnenshuis-autoriteit niet best trotseeren.

--Joawel, joawel,...moar hoe verstoaje dat... mee 't eten, bij
veurbeeld?" vroeg eindelijk Belzemien, met een scherpe flikkering
zijner kleine oogjes.

--Mee 't eten? Wel, heul simpel; 'n talleure bij," klonk
't kort-afdoende antwoord.

Belzemien krabde met een scheef grimas achter zijn oor en Standje
keerde zich even hoofdschuddend om. Zij namen in 't gewone dagelijksch
leven, volgens oud-landelijk Vlaamsch gebruik, hun maaltijden aan de
gemeenschappelijke tafel, meesters en dienstboden bij elkaar. Hoe zou
nu Leontientje, die zeker heel anders gewend was, dat opnemen?

--Ha!... dat moe ze zij weten, die iefer!" riep Cordula uitdagend.
"Azeu en anders niet, zille! En 'k zeg het nog ne kier: es ze 'r nie
mee kontent, ze kan d'r heur heufd bij leggen, 't zal hutsepot
zijn!"

De broers drongen niet aan, maar zetten een bedenkelijk gezicht.
Cordula was in een van haar onhandelbare buien. Alleen waagde Standje
nog even de vraag:

--En woar moe ze sloapen?"

--Nevens mij, op de veite, in moeders ouw bedde."

--O! niet in de beste koamer!"

Cordula keek haar jongeren broeder even aan, met open mond en ronde
oogen, als vroeg ze zich of of hij eensklaps onwijs geworden was. En
plotseling barstte ze uit, bepaald boos, tegen alle drie:

--Ha, ge mien gulder dat dat 'n prinses es, geleuf ik, die hier moe
komen! Op de veite zal ze sloapen, zeg ik ulder, nevens mij, in
moeders ouw bedde. Zoe ze 'r meschien te goed veuren zijn?"

De broers dropen stilletjes af. Wanneer Cordula in haar kwade
buien kwam, was het maar beter haar met rust te laten en vooral niet
tegen te spreken. Later schikten zich dan de dingen soms van zelf nog
wel.

* * * * *

Drie dagen daarna,in den vroegen ochtend, bracht de postbode op de
boerderij een brief met Franschen postzegel: Leontientje's
antwoord.

Belzemien sneed den omslag met een mes voorzichtig open, haalde het
velletje papier er uit, ontvouwde dit en las:

"Beminde nonkels en tante,
"Gij schrijft mij in Fransch en ik wil antwoord
"in Vlaamsch om te bewijs dat ik de
"Vlaamsch niet heb vergeet. Wat spijt mij dat
"tante Zeunia is zoo ziek maar zij naar mij
"verlangt en ik zal kom, overmorgen 4 Mei
"met de train die om zes uur in de station van
"u aankom. Ik zal herken nonkel Constant nog
"wel heel goed en hoop u te vind in goed
"gezonteit.
"UW bemint nichtje
LEONTINE."

--Wel-e-wel! 't Es curieus! 't es curieus! Ze kent toch woarlijk nog
'n beetse Vlaamsch," glimlachte Belzemien, den blik strak op het
eigenaardig briefje. Maar Cordula spotlachte smalend om dat
onbeholpen geschrijf, en ook Coben schudde even, ietwat minachtend,
het hoofd. Alleen Standje was echt bekoord. Hij kwam met stralende
oogen naast Belzemien geschoven, en eensklaps riep hij uit,
terwijl hij snuffelend zijn neus over het briefje boog:

--O! en fijn dat 't riekt! Riekt toch ne kier! 't Es percies lijk van
die goeje ziepe!"

Belzemien drukte 't papier tegen zijn scherpen neus.

--'t Es woar, 't es woar, glimlachte hij: percies van die fijne,
goeriekende ziepe."

Ook Coben wilde 't even ruiken en stak, met een zenuwachtige trilling
zijn rooden, krommen neus naar 't briefje toe. Maar toen ze
't insgelijks Cordula trachtten te doen ruiken, trok deze zich met
een gebaar van walg en afkeer achteruit, woedend-uitvarend:

--O, gie drei ouwe loeders woar da ge stoat! Zij-je nie beschoamd?
Mient-e da g' hier in 'n slecht huis zijt dan! En da z' oppast, die
P'rijsche kerte, as z' hier mee riekend goed in huis durft komen.
'K zal 't in de beke smijten!"

De broers hielden zich stil, doodstil, durfden nauwelijks een leuken
oogslag met elkander wisselen. Cordula kon nog eens gevaarlijk
worden in haar onweersbuien.

Den volgenden ochtend, al heel vroeg, sloop Standje naar de stallen
en riep, met een stillen wenk, Pierken, het koewachtertje, bij zich:

--He, Pierken, help mij ne kier den "tieprie" uit de "loeze"
trekken."

Pierken, die met emmers rondzeulde, liet zijn werk staan en volgde
Standje in de "loeze". Daar stond, achter wagens en karren, onder
een grauw-linnen dekzeil verborgen, de ouderwetsche tilbury.

--Help mij iest die woagen wa noar veuren douwen," zei Standje.

Standje trok en Pierken duwde en de wagen rolde wat vooruit, in een
zwaar hossebossen van zijn wielen. Baron, de oude waak-en-karn-hond,
die naast de "loeze" lag, begon even sehor te blaffen.

--Wilt-e zwijgen, loebas!" bromde dreigend Standje.

De bond kroop kettingsleepend, met hangende staart en ooren in zijn
hok terug.

--En nou de kerre," zei Standje.

Hij sprak halfluid, alsof hij bang was om gehoord te worden, en af
en toe blikte hij wantrouwig schuins om, naar de heldere
vensterramen van het woonhuis toe.

De kar werd stil op zij geduwd.

Belzemien, die reeds een toertje rond de velden had gedaan, in de
verkwikkende heerlijkheid van den vroegen, frisschen lente-ochtend,
kwam langs achter, over 't steenen bruggetje van 't beekje, op het
erf gewandeld. Hij zag er buitengewoon netjes en opgewekt uit, pas
geschoren, met keurig geborstelde kleeren en een frisch wit hemd.

--Ha, wat 'n scheun weere veur den tijd van 't joar!" glimlachte
hij, in verrukking naar den wazig-zonneblauwen hemel kijkend.

--Woar es Coben?" vroeg Standje. "Hij zoe wel e-kier moete zien of
't harnas van den tieprie in order es."

--Hij es al bezig mee 't te kuischen," antwoordde Belzemien. "Hij
goa euk de moanen van zijn peirden kammen en 'n beetsen 't hoar van
ulder peuten scheiren, zegt hij."

--Ah, c'est ca, c'est ca," glimlachte Standje tevreden.

Belzemien ging netjes verder rondslenteren en Standje, na een
nieuwen, wantrouwenden schuinblik op de vensters van het woonhuis,
zei, bijna fluisterend, tot Pierken:

--Ala, den tieprie nou. Van den ieste kier noar buiten en medeen
achter de muur van de loeze."

Op een drafje, Standje in 't lemoen, Pierken duwend aan de
achterplank, ratelde het ding vlug naar buiten. Maar... o wee!...
juist wat Standje al dien tijd gevreesd had gebeurde: daar kwam op
't zelfde oogenblik Cordula op den drempel van het woonhuis staan.

--Nondedzju!" bromde Standje halfluid. En, eensklaps kwaad, was hij
desnoods tot scherpen tegenstand bereid.

Doch het bleek overbodig. Tot Standje's innige verbazing maakte
Cordula geen de minste opmerking waarom hij reeds zoo vroeg het
rijtuig buiten haalde. Zij deed of ze 't zelfs in 't geheel niet
zag, en, met de beide handen als een trechter aan den mond, gilde
zij naar de stallen toe:

--He! Leenie! Leenie!"

Een dikke meid kwam uit de open staldeur, 't gezicht verhit, de
haren slorsig in verwarde trensen om het voorhoofd en de slapen, met
opgeschorte, groezelige rokken en rooddikke, bloote armen onder
opgestropte mouwen.

--Wa es er, bezinne?" riep zij.

--He-je hoast gedoan mee melken?" vroeg Cordula.

--Tusschen dit en tien menuten!" antwoordde de meid.

--Hawel, as ge gedoan het komt in huis om mij 't helpen schuren!"

Standje wist niet wat hij hoorde. Stomverbaasd keek hij op. Wat?
schuren op een woensdag! He... zou zelfs Cordula, ter eere van de
komst van 't nichtje...! Standje, zonder verder te aarzelen, draaide
met den tieprie om den hoek der "loeze" en beval Pierken hem van
onder tot boven af te borstelen, te wasschen en op te poetsen.


* * * * *

Even voor zes uur dien avond was Standje met den "tieprie" aan het
kleine station. Bello, de mooie, bruine merrie stond er voor
gespannen, en Standje had er wel wat last mee, want het beest was
schichtig, niet gewend aan drukte en vooral niet aan het ruischend
gedonder der treinen. Twee snorden er voorbij terwijl 't gespan daar
wachtte en telkens moest Standje naar de teugels springen en het
wild-snuivend en trippelend beest met zachte woorden en streelende
klapjes op den hals bedaren. "Hou hou, Belleken, hou hou, Belleken!"
suste Standje bezorgd, onder de ietwat spottende blikken en grappige
opmerkingen van een paar toeschouwers; en 't begon hem wel wat te
spijten dat hij niet in plaats van de hitsige merrie, den kalmen,
grijzen ruin genomen had, zooals Belzemien en Coben hem hadden
geraden. Maar de ruin liep zoo traag en de merrie zoo vlug en Standje
wilde wel graag een beetje levendig rijden met Leontientje.

Eindelijk werd de fransche trein aangekondigd. Aan beide kanten
van den spoorweg zakten de sluitboomen, als twee lange, dunne,
strakke armen zonder handen neer, een horen toeterde, een electrisch
belletje rinkelde, een man kwam met een vuilrood vlaggelapje op zij
van het wachthuisje staan.

--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" paaide Standje, de merrie
bij den breidel vasthoudend.

Daar naderde de trein! Ruischend, stoomend, proestend, met een
enorm hooge en zware locomotief, kwam hij langzaam uit een bocht
voor 't kleine station gereden.

--Hou hou, Belleken! Hou hou, Belleken!" herhaalde Standje steeds
dringender, terwijl hij, sussend, klapstreelend op de sidderende
manen, met gretige oogen naar den langen zwarten trein het hoofd
omwendde.

De remmen knarsten, portieren vlogen open, reizigers kwamen
uitgebrokkeld, liepen haastig uit elkaar.

--Hou hou! hou hou! hou hou!" ging aldoor Standje, angstig dat hij
haar wellicht in het gewoel niet zien of herkennen zou. Maar
plotseling ontwaarde hij, vooroverhellend over een nog dicht portier,
een lenige buste in witte blouse en lichtbruin manteltje, een
grijsblauw hoedje met een bruine veer, en daaronder een jeugdig
frisch-blozend gezicht met blonde haren en zoekend-rondkijkende
oogen: oogen die eensklaps Standje ontdekten en glimlachend
schitterden, terwijl een arm werd gezwaaid en een vroolijk stemmetje
van verre riep:

--Ah voila! Bonjour, mon oncle! Bonjour! Ik kom!"

--Hou hou! Bezoer! Bezoer!" antwoordde Standje, met de eene hand
tegenwuivend, met de andere 't paard intoomend. Een fluitje gilde,
een stoomgulp pufte, de trein zette zich langzaam weder in beweging,
en 't oogenblik daarna werd Standje overrompeld en bijna bedwelmd
onder een uitbundige omhelzing, met twee klinkende zoenen op zijn
harige wangen, terwijl het helder stemmetje weer juichend opgalmde:

--Bonjour, mon oncle Constant. Bonjour, bonjour. Hoe goat 't mee
ou?"

--Hahaha! Leontine! Leontine!" riep Standje,
geestdriftig-verbouwereerd, onwillekeurig het paard loslatend, dat
begon te deinzen en te trippelen. En hij keek het jong meisje aan
met stralende oogen, verrukt en verbluft haar zoo volwassen en zoo
mooi te zien, geschokt door die onverwachte frissche omhelzing en
ontroerd door haar gansche verschijning.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. knowncrafts.net. All rights reserved.