Book: Lente
C >>
Cyriel Buysse >> Lente
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 | 10
Zij staat omringd door drie kleine kinderen, bij een
heetdampend-en-stoomenden ketel, die over het haardvuur hangt. Een
vierde kind, heel jong nog, zit in een stoeltje, bij het kleingeruite
raam, met blaasjesmond te spelen. Starend-ondervragend,
vaag-wantrouwig, den grooten, houten lepel, waar mee zij in den ketel
roerde, even onbeweeglijk in de hand, kijkt Zieneken mij aan.
Blijkbaar herkent ze mij niet.
--Dag Zieneken," herhaal ik, glimlachend. "Mag ik ne kier binne
komen om mijn puipken t' onsteken?"
--Och Hiere Godheid, meniere!" roept ze plotseling, haar beide
handen in elkaar slaande. En verrukt, met stralende oogen en
blozende wangen, komt ze naar mij toe:
--O, meniere! wa zij-e gij toch veranderd! K'n zoe ou noeit irkend
hen!"
En wij praten over het verleden...
Vader en moeder sinds jaren reeds dood, Zieneken getrouwd, moeder
van vier kinderen en bijna van een vijfde, dat tegen de lente moet
komen... Haar man is op den akker; als ik maar eventjes wil wachten
zal zij hem dadelijk laten halen. "Toe, Zulma," roept ze tot haar
oudste meisje, "goa ne kier ziere bij voader op 't kloaverstik en
zegt hem dat hij seffens noar huis moe komen.--Moar zet ou,
meniere, zet ou, 'k ben blije da 'k ou nog ne kier zie;
'k he al zeu dikkels op ou gepeisd, moar 'k miende da g' ons
allemoal al lank vergeten hadt. Wilt ge 'n gloazeken bier of 'n
dreupelke pakken...?"
Er is in mij een vreemde, diepe, heimweeige emotie. Ik voel ineens
den afstand en de tijdsruimte van de vervlogen jaren. Haast niets is
in het oude keukentje veranderd. Daar is de zwartgerookte haard met
links vaders armleuningstoel en rechts moeders laag, ingezakt
werkstoeltje. Daar glinsteren, tegen den muur, de mooie, koperen
melkemmers; daar staat nog steeds, als vroeger, de oude, lange,
bruine kasthorloge met grauw-zinken uurplaat, die koddig doet denken
aan een stokoud wijf met zuur gezicht en rond, strak-glazen naveloog,
waarachter, langzaam tikkend, de vaal-glimmend koperen slingerschijf
zich rythmisch heen en weer beweegt... Alles, alles is er 't zelfde
gebleven; alleen de menschen zijn veranderd... Door Zienekens zwarte
haren loopen nu fijne, zilveren kronkeldraadjes; om haar nog steeds
levendig-blinkende oogen trekken zich rimpeltjes samen; de eens zoo
schittermooie, gave, witte tandenrij is door donkere gaten
onderbroken, en haar zwaar, bijna massief-geworden figuur van
mild-vruchtbare moeder heeft al zijn lenige gratie van vroeger
verloren. De jaren, de zorgen, en al die kinderen hebben hun
vernielingswerk aan haar verricht.
Een onuitsprekelijk gevoel van weemoed komt koud-en-nuchter-sluipend
over mij. Het spijt mij dat ik hier gekomen ben en 'k wou dat ik
weer heen was. Waarom ook hield ik niet onaangeroerd en diep en
zacht in mijn gemoed verborgen, de teere, frissche, jeugdherinnering
van vroeger? Waarom kwam ik er terug, op dien grijzen, droeven,
somberen wintermiddag, daar waar voor altijd in mijn geest een
beeld stond vastgegroeid zoo vol van zon en licht en kleur en poezie
en lente?
Toch was er nog iets dat ik gaarne weten wou.
--En da koewachterken, Zieneken, weet-e nog wel, da Feelken, die mee
zijn mes in 't streu lag te vechten, wa es er doarvan geworden? Es
't zuk nen beuswicht geworden lijk of ge vreesde?
--Feelken nen beuswicht! Ah nien 't zille meniere! 't Es
't broafste manneken van heul ons hof. Kijk, 't goat doar over den
boogoard, mee die kurtewoagen roapen noar de koestal..."
En Zieneken wees mij door het raampje, in 't mistig-grijze van de
wintervlucht, een kromgebogen ventje, dat, met inspanning een zwaar.
beladen kruiwagen voortduwend, in 't donkere van een openstaande
staldeur verdween.
Feelken!... O, was dat het hartstochtelijk, vechtlustig Feelken, zoo
oud, zoo afgeleefd, versleten...!
--'t Veintsjen he zeuveel verdriet en zeuveel oarmoe g'had," zei
Zieneken. "Zijn vreiw in 't kinderbedde gestorven en hij oarm en
allien achtergebleven met drei kleine kinders..."
Ach! was Feelken reeds weduwnaar en was het overleden vrouwtje
datzelfde jong meisje, om welks bezit hij vroeger, als kleine
koewachter, met messen wilde vechten?
--O nien, nien 't," zei Zieneken; de diee was al lank vergeten.
't Was 'n heul andere." 'n Heel andere...! Alles leek mij plotseling
geheel anders in en om het liefelijk, zoo welbekend boerderijtje.
Zieneken was anders. Feelken was anders, haar man en kinderen waren
voor mij onbekenden; en ikzelf voelde mij daar nu als een heel, heel
oude vreemdeling geworden...!
Een jonge, onbekende meid kwam binnen en hielp Zieneken den zwaren
ketel van het vuur nemen. Zij droegen hem aan een dwarsstok in het
achterhuis en de bevrijde vlammen van den haard dansten even
likketongend door elkaar, tegen den zwarten schoorsteenwand.
Ik voelde een zacht-weemoedigen glimlach op mijn lippen komen; en in
verbeelding zag ik weer de twee, heel zwakke en kleine, met elkaar
spelende likvlammetjes van vroeger, zooals ik er die op een
heerlijk-schoonen lentemiddag in het bijna uitgebrand haardvuurtje
zag, o, zooveel lange jaren reeds geleden, in de stil-zonnige
eenzaamheid van het verlaten keukentje...
* * * * *
't Is uit... ik voel dat het voor altijd uit is en dat ik nooit op
het aardig boerderijtje meer terug zal komen...
Twee ouderwetsche leege stoelen in den ouderwetschen
schoorsteenmantel, waarin vroeger de twee oudjes zaten, het ventje
oolijk grappenmakend, het vrouwtje soms wat knorrig pruttelend,...
twee kleine vlammetjes die grillig-speelsch tegen elkaar opdartelen
en stoeien, het een een ietsje grooter dan het andere en om de beurt
elkaar met een dun rookstaartje uitdoovend en weer aanvurend (het is
mij soms te moede of het de plaagzieke zielen der twee oudjes
zijn)... een koddige horloge-kast en blinkend-koperen emmers langs
den muur,... dat alles zacht-oplevend in een teederen weerglans van
bloeiende lentepracht daarbuiten en bezield door de frischjeugdige
verschijning van hetZieneken van weleer, die het vechtlustig jong
koewachterken beknorde,... 't is alles wat er nog in mijn herinnering
van overblijft,... 't is alles wat ik er van wensch in mijn geheugen
te bewaren...
EINDE.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 | 10