Book: Lente
C >>
Cyriel Buysse >> Lente
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10
--Hoe goat 't mee ou? Wa zij-je greut en snel geworden! En hoe es
't thuis mee voader?" vroeg hij verward door elkaar.--En dan weer
angstig tot het paard, dat ongeduldig trappelde en weg wou: "Hou
hou, Bello, hou hou...!"--Wilt-e moar instappen, Leontientje; mijn
peird 'n es den trein nie geweune. Es da ou kofferken! Geef moar
hier, 'k zal 't onder de bank steken."
Hij duwde het valiesje naar achter, hielp haar in 't rijtuig, wipte
zelf haastig naast haar, en weg waren ze, in vollen draf, door de
stille straten van het kleine plaatsje.
--En hoe es 't mee Tante Zeunia?" was dadelijk haar eerste vraag.
--O, goed, goed," antwoordde werktuigelijk Standje, in zijn agitatie
niet meer wetend wat hij zei.
--Comment donc! 'k miende dat z' op stirven lag!" keek het meisje
hem diep verbaasd aan.
--Ha joa moar, 't es woar euk; natuurlijk, natuurlijk!" verbeterde
Standje met een hoofdschudding zijn gek gezegde. "Hoe dat 't mee heur
es? O, altijd 't zelfde; all' uren uit, e-woar?"
--Pauvre tante Zeunia," zei meewarig het meisje. Zoe 'k heur
vandoag nog keune zien, nonkel?"
--Joa joa g'. 'K peis 't toch wel. Vandoag of morgen. We zillen d'r
mee ou noartoe goan."
Toen moest Leontientje ook weten hoe of 't met tante Cordula ging, en
met nonkel Belzemien en nonkel Coben, en Standje antwoordde maar
aldoor: "o goed, goed, heul goed," terwijl hij met stralende oogen en
verrukten glimlach het jonge nichtje aankeek, meer en meer onder den
indruk harer bekoorlijke verschijning en omhelzende begroeting, de
handen bevend om de teugels en vreemd in 't hoofd omdat er een zoo
fijne geur om haar heen zweefde, diezelfde geur van zoete bedwelming,
dien hij daags te voren, met een ongekend gevoel van wellust, uit
haar briefje opgesnoven had.
Zij hadden al spoedig het stationsplaatsje verlaten, en, over de
houten ophaalbrug van een kanaal, waar Bello, voorzichtigheidshalve,
stapvoets gehouden werd, kwamen zij in het open veld. Wijdalom
strekten de weelderige lente-landouwen zich uit. Het koren, een paar
voet hoog, stond reeds in de aren, de heldergroene vlasgaarden lagen
donzig als fijne fluweelen tapijten op den zachtgolvenden grond, en
hier en daar in de verten schitterden, tusschen het pas ontloken,
frischdoorschijnend groen van heesters en boomen, de lange, fijne,
tintelgouden streepen en vlekken van het bloeiend koolzaad. Als
eilandjes midden uit een groene-en-gouden zee, rezen de oude, groote
boerderijen met hun bloeiende appelboomgaarden ten alle kanten op, en
in den teerblauwen hemel vol kleine, rozig-witte wolkjes, orgelden
eindeloos de zoete stemmetjes der leeuwerikken.
--O, mon oncle, da es hier toch amoal stil en scheune!" juichte 't
jong meisje, met levendig-blozende wangen en stralende oogen overal
rondkijkend.
--E-woar?" zei Standje, gevleid door haar bewonderende uitroepingen.
"'n Greut verschil mee P'rijs, he?"
--O joa 't zille! moar Parijs es toch euk heel scheune," antwoordde
zij glimlachend.
De "tieprie" was een kronkelende zandweg ingeslagen en
lichtschommelend op zijn veeren reed hij langzamer, onder het
zwaarder trekken van Bello, door de mulle, diep-gegroefde,
slingerende wagensporen. Zij kwamen in de volle landelijke
eenzaamheid en Leontientje wees met verbazing naar een heele rij
vrouwen, die daar midden op een akker, als een bende groote vogels,
zingend zaten neergestreken.
--O, qu'est-ce que c'est que ca, mon oncle?" riep zij met een zoo
opgewonden schel stemmetje, dat de merrie er even van schichtigde
en Standje, aan de leidsels houdend, weer zijn bedarend: hou hou,
Bello! moest laten hooren.
--Ca, ce sont des... wiedsters," lachte hij maar, het fransche woord
niet dadelijk vindend.
--Oh! Et que font-elles?
--Arracher... arracher... l' onkruid," waagde Standje maar weer,
opnieuw om zijn raar taaltje lachend.
--Comme ca, avec leurs mains, sans gants?" vroeg ze verwonderd.
--Mais-z-owie, mais-z-owie," glimlachte Standje.
--Et ca ne leur fait pas mal? Ca ne pique pas?"
--Mais non, mais non. G' heur wel da ze leute hen, e-woar? Ze
zijngen..."
De wiedsters hadden opgekeken, wuifden met de handen, zonden grappig
kushandjes naar 't rijtuig, riepen van verre iets naar Standje dat
deze maar half begreep.
--Qu'est-ce qu' elles crient?" vroeg Leontientje nieuwsgierig.
--Que vous etes une zolie fille!" schertste hij, haar met
glinsterende oogen aankijkend.
--Mais mon oncle!" schaamde ze zich, hevig blozend.
Plotseling, achter een groote, donkere hoeve met hooge gebouwen en
breed-uitgestrekten boomgaard, slaakte zij weer een zoo schellen
juichkreet, dat Bello ervan op zij sprong en het lichte rijtuig in
een wagenspoor bijna omkantelde:
--O mon oncle! mon oncle! Wat es dat toch!"
't Was eensklaps als een wijde, vlakke goudgolf, zijlings van den
blonden zandweg. Het leefde en straalde en tintelde; het geurde
onuitsprekelijk wonderzoet en 't wemelde en trilde van
duizend-en-duizenden zoemende bijen.
--Datte!... hou hou, Bello, hou hou! Dat es 'n partije bloeiend
keulzoad," zei Standje, met inspanning de merrie in bedwang houdend.
--O, mon oncle, as 't ou blieft, hou toch nekier stil en loat er mij
nen bouquet van mee nemen!"
--Van keulzoadblommen!" riep Standje verbaasd. "Moar ze zillen
seffens verslokkerd zijn!... en euk... den boer 'n zoe 't meschien
nie geirn hen, as 't hij moest zien..."
--Och nonkel, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft," smeekte zij.
't Was onweerstaanbaar! Standje hield het paard stil en zij wipte
uit den "tieprie" terwijl hij bezorgd en wantrouwig, vol vrees voor
den boer, naar de groote hoeve omkeek.
--Hmm! Hmm! comme ca sent bon!" juichte zij, met volle armen
plukkend. "Mais que de mouches, mon Dieu!" En zij ging druk aan
't schermen, met haar beide handen.
--Pas op!" waarschuwde Standje, "'t zijn uzzels, ge zil gesteke
worden!"
Doch zij graaide maar door, met haastige, gulzige grepen, tot zij,
overladen, terug in den "tieprie" kwam gewipt, haar gansche frisch
gezichtje met wellustige verrukking snuivend in den geuriggouden
schat; en weer reden zij verder, door het heerlijk lenteveld, naar
de hoeve, waarvan de grijze stroodaken, in het verschiet, tusschen
de groene en roze weelde van den alombloeienden boomgaard, reeds
zichtbaar werden.
--Zie-je ginter d' hofstee? Irkent-e 't huis nog?" vroeg Standje.
--'n Beetse, toch niet heel goe meer," aarzelde zij. Maar eensklaps
jubelde ze 't uit:
--O joa joa ik, nou irken ik ze, doar... doar... tusschen de beumen!
La maison blanche aux volets bleus et au toit rouge n'est-ce pas?
Oh! comme elle est gentille!"
--Owie--owie... ce ca!" juichte Standje tegen, trotsch en gelukkig
dat ze 't nog herkende en het huis zoo mooi vond.
--En woar es 't huis van tante Zeunia? C'est plus loin encore?"
--Owie... owie... dans le villaze n' is pas. Ginter verre, zie-je
wel, dat toreken."
--Ah oui, oui!" riep zij eensklaps weer met kinderlijke blijheid. "A
present je me rappelle tout a fait et je reconnais encore le petit
clocher. C'est la que j'ai fait ma premiere communion!"
--Owie... owie... owie... percies... percies," bevestigde Standje.
Zij waren er. Stapvoets zwenkte het paard om een bocht, schreed over
't steenen bruggetje, reed door het openstaande hek, ging dwars over
den boomgaard en hield eindelijk voor het boogdeurtje van
't woonhuis stil.
--Bonjour ma tante!" riep Leontientje uit het rijtuig wippend. En
zij viel in de armen der verbouwereerde Cordula, die op den drempel
was verschenen.--Bonjour, mon oncle Belzemien!"... En in de armen
ook van den verbluften Belzemien.--Bonjour, mon oncle Coben!"...
En in de armen eindelijk van den sidderenden, stotterenden Coben.
Zij stonden daar allen even onthutst en verbluft om het vroolijk en
blozend nichtje, frisch als een levensbloem van jeugd en van
gezondheid; en een poosje wisten zij geen van allen wat te doen of te
zeggen: de twee broers, evenals Standje, volkomen ontroerd en verrast
door haar onbevangen en onverwachte omhelzing, de oude vrijster niet
minder van streek, al haar voornemens van koel en stug onthaal aan
't wankelen, eensklaps, zonder mogelijken strijd, tegen wil en dank
overwonnen en ontwapend door het zoo natuurlijk-vriendelijk en
zegevierend-gulhartig optreden van 't verrukkelijk jong meisje. Ook
Standje was uit den "tieprie" gestegen, die Bruuntje met het paard
naar de "loeze" terugbracht; en, Leontientje's valies in de hand,
keek hij aarzelend-bedeesd en bijna smeekend naar Cordula, als om
haar zwijgend te vragen of ze nu toch werkelijk den harden, droeven
moed zou hebben, dat frisch lief kind in de oude, duffe, ongezellige
voute-kamer naast haar te doen slapen.
--O, wacht!" riep Leontientje, toen ze haar valies zag. En haastig
het openend haalde zij er een mooi-glanzenden kartonnen zak met
gouden letters uit en bood dien Cordula aan.
--As 't ou blieft, tante, 'k he da uit Parijs veur ou mee gebrocht."
--Ha moar jongens toch, wat es datte?" riep Corduula, met een
plotselinge kleur over haar grauwe wangen den schitterenden zak
openend.--Ooo?... 't es seekelou, en toch zeu veele! Ha moar,
kijkt toch ne kier hoe veele."
--Eet-e geiren chocolat, tante?" vroeg, liefelijk glimlachend,
Leontientje.
Joa ik, zille, en zuk ne goen, zei Cordula; gulzig proevend.
Het was een voile zak pralines, en Cordula presenteerde er nu ook
van aan Leontine en aan de broers, die, gegeneerd-glimlachend, met
aarzelende vingers zich bedienden.
Standje's oogen glinsterden. Hij voelde Cordula vermurwd, en, het
valies steeds in de hand, waagde hij maar eensklaps moedig de vraag:
--W e zillen Leontine heur koamer moeten teugen, e-woar, zuster!
Alhier zeker, e-woar?"
En hij stapte waarlijk vastberaden naar de "beste kamer" toe.
Cordula scheen een oogenblik hevigen strijd te ondergaan. Haar
groote zwarte oogen zetten zich boos uit, haar breede mond ging al
vast weigerend open... maar 't leek als 't ware sterker dan haar wil:
't hoofd knikte onwillekeurig "ja" en zelve wees zij den weg,
haastig in haar verbluftheid stotterend:
--Joa joa... 't es goed,... maar wacht ne kier... 'k zal e-kier
moete zien of er niets 'n mankeert."
Standje liet het zich geen tweede maal herhalen. H j liep met het
valiesje naar de mooie logeerkamer, zette het er op de ronde tafel
neer, kwam er weer uit terwijl Cordula met 't nichtje binnentrad,
en sprong dansend van blijdschap voor Belzemien en Coben in de
keuken op, stil juichend:
--Alles zjuust! Zuster gebruikt heur verstand. Azeu es 't lijk of
't zijn moet!"
Belzemien, de kleine oolijke oogjes bijna dichtgeknepen, wenkte Coben
en Standje in de keuken bij zich, fluisterde op zijn beurt,
zenuwachtig opgewonden:
--Joa moar, en mee 't eten, hoe zal da zijn! Ik 'n vinde da toch nie
meugelijk van heur aan ien toafel mee de knecht en 't meissen en de
koeier te doen eten."
--Natuurlijk niet, natuurlijk niet!" jubelde Standje. Moar Kerdule
gebruikt heur verstand, zeg ik ulder. Ze zal zelve wel inzien dat da
niet meugelijk 'n es."
--Joa joa joa moar... wa... wa zillen Bruuntsjen en Leenie doarvan
zeggen?" stotterde Coben, die aan de oude gebruiken hechtte en bang
was den knecht en de meid te beleedigen.
--Wel, loat ze zeggen wat dat ze willen; we zijn toch zeker wel
miester op ons eigen hof!" riep Standje vrijpostig.
--Stt!... zachtjes, zachtjes," suste Belzemien. "We moen doar kalm
mee de zuster over klappen."
Cordula en Leontientje kwamen terug in de keuken.
--Wa goa-je gij eten, Leontine? G-het zeker wel honger noar die
lange reize?" vroeg glimlachend Belzemien.
--Wel, nonkel, 'k zal ik eten wat dat-e gulder eet," zei
Leontientje.
Bezorgd keken de broeders naar Cordula op. Haast iederen avond aten
zij, samen met knecht en meid en koewachter, karnemelkpap met roggen
smouterhammen en daarna gestampte aardappels met kaantjessaus. Zij
vonden dat heel lekker. Maar of Leontientje het wel lusten zou?
--Wa eet-e gij geweunlijk 's oavens?" vroeg Standje na een aarzeling,
angstig omdat Cordula nog niet dadelijk op de kwestie inging.
--O, 't gien dat er es, nonkel, 'n ei, 'n beetse vleesch of koas mee
nen boterham en 'n glas wijn; moar 't es woar: hier in Vloanderen es
't bier in ploatse van wijn, e-woar?" glimlachte Leontientje.
--Joa joa, zeker, zeker, zeker," zei Belzemien, ontsteld bij de gedachte
dat er nooit anders dan in buitengewone omstandigheden bier bij de
maaltijden genomen werd. En eensklaps moed-vattend, met een
schuw-schichtigen blik op Cordula, die maar aldoor stom en stug en
roerloos stond te luisteren:
--Hawel, zuster, wilt-e gij 'n eitsje koken? 'K zal in de kelder om
bier goan?"
Plotseling slaakte Leontientje een kreet:
--O, mon oncle Constant, mijn blommen, mijn blommen, woar zijn toch
al mijn scheune blommen!"
--Ou blommen!" riep Standje, die eerst niet begreep. O joa, joa,
't es woar! Ze zijn zeker in den tieprie gebleven. Wacht, 'k zal
z' ou goan hoalen!"
Maar Leontientje was reeds buiten, hollend als een wild jong
veulen naar de "loeze".
In allerijl namen de broeders de gelegenheid te baat.
--Heurt, zuster," zei Belzemien op een toon van ongewone beslistheid,
"we'n keunen da kind hier mee de knecht en 't meissen aan toafel nie
zetten om keiremelkpap en eirdappels t' eten. Ze'n es da thuis niet
geweune. Ze zoe da ginter in P'rijs aan heur famielde en kennessen
goan vertellen en 't zoe ons schande gesproken worden."
--Ha, nondedomme! Es ze zij meschien beter as wij!" riep Cordula
verontwaardigd.
--'t Es gelijk," sprong nu ook Standje ter help. We moen iest en
veural onz' iere koavelen."
Coben stond zenuwachtig te sidderen zonder iets te zeggen.
--Onz' iere koavelen! Onz' iere koavelen! Drei kiers per dag vliesch
en eiers zeker! En wie zal da as 't ou blieft betoalen? Es 't nog nie
genoeg da z' al in de beste koamer mag sloapen, die prinsesse!"
krijschte Cordula.
--Ik zal 't betoalen! Ge meug het iedere zondag van mijn zakgeld
afhouden!" riep Standje grootmoedig.
--Ha 'k zal 't er zeker afhouen!" dreigde Cordula, meteen zich
overwonnen gevend. "He-je da nog oeit geweten? Zoe-je nie zeggen
'n keunijnksdochter in huis!"
De broeders, voelend dat zij nogmaals 't pleit gewonnen hadden,
lieten haar nu maar kalm uitrazen. Cordula voorspelde nijdig erge
ruzie met de dienstboden, onderlinge ontstemming, oneenigheid en
geldelijken ondergang; maar 't leek wel of het hun in 't geheel niet
schelen kon; zij zagen het volstrekt zoo zwaar niet in; en Standje,
roekeloos wordend in zijn opgewondenheid, durfde er zelfs nog aan
toevoegen:
--Tuttuttut, zuster, iene kier rijk 'n es nie altijd oarm. We goan
ons nou al te goare ne kier ienige doagen firm wel doen en we zillen
spoaren as 't geld op es!"
Leontientje kwam terug in huis gehuppeld, het frisch-blozend gezicht
half onder haar geurig-gouden bloemenschat verborgen.
--Wa he ze zij doar!" riep Cordula nurksch verbaasd.
--O! zuk 'n scheune blommen, tante, w'hen ze lang de wig getrokken!"
juichte 't meisje.
--Ha!... 't e... 't e... 't e... 't es verdeeke keulzoad!" stotterde
Coben onthutst. En eensklaps begon hij onbedaarlijk te lachen, omdat
Leontientje, in baar onwetendheid, bloeiende koolzaadtakken als
Sieraadbloemen had geplukt. Heel zijn steenrood, beenderig gezicht
vertrok in rimpels van de dolle pret, en ook Belzemien ging nu
fijntjes aan 't lachen met oolijk-knippende oogjes, terwijl hij, van
dichtbij de bloemen bekijkend, wijsneuzig oreerde: "owie, owie, ce
du colza, ma niece." Standje kon zijn verrukten blik van het frisch
mooi nichtje niet afwenden; en alleen Cordula beweerde knorrig dat
die bloemen niets beteekenden en dat het bovendien verkeerd en
ongepermitteerd was ze te plukken, en dat de boeren, als ze 't
zagen, er verschrikkelijk kwaad om zouden zijn. Toch gaf ze t' meisje
een kruik met water om ze te bewaren; en toen zij in de "beste
kamer" op het tafeltje te pronken stonden, vroeg Leontientje of er
nog tijd was voor den eten om eens even rond de boerderij te gaan.
De avond daalde, in zachtwazige, purperen glorie, over de stille,
mildvruchtbare, groene lentewereld neer. Cordula bleef brommig in
huis om het avondmaal te bereiden, en af en toe, om zich te troosten,
putte zij gulzig uit den zak met lekkernij. De broeders, alle drie,
liepen intusschen, over den boomgaard, met het meisje mee. Zij had
hoed en mantel afgelegd; en nu, blootshoofds in haar mooiweelderig
blond haar, met lichtbruine japon en witte zomerblouse, wandelde zij,
in de volle sierlijkheid harer lenige gestalte, over het zachte
goudgetinte gras, onder de frissche lentekruinen. Kersen en krieken,
pruimen en peren hadden reeds gezet en de vergankelijke weelde van
hun eenmaal sneeuwwit bloeisel hing, als in bruine, verschrompelde
lapjes, aan de dunne, naakte twijgjes; maar al de appelboomen stonden
in hun rijksten prachttooi en 't waren alom als groote, witte en
roze, tooverpaddestoelen, als boomen uit een Paradijsdroom, door een
wonder van heerlijkheid op aardschen bodem overgeplant.
--Oh! comme c'est beau, comme c'est beau!" jubelde Leontientje. Zij
haalde de lange, neerhangende bloesemtwijgen naar zich toe, zij aaide
met haar zachte wangen langs de zachte, teere knoppen; en eensklaps
werd het haar te machtig: zij brak het eene takje na het ander af en
las ze samen tot een schitterenden ruiker, telkens met een
kinderlijke speelschheid streelend vragend: "Je puis, n'est-ce pas?
Tante Cordula ne sera pas fachee, n'est-ce pas?" terwijl de drie,
oude vrijgezellen met gedwongen glimlach toch ja knikten, elk
oogenblik omkijkend naar het woonhuis, in voortdurenden angst hun
zuster eensklaps woedend te zien buiten vliegen, om. die nuttelooze
schending, welke zij in bun begrip van boerenzuinigheid ook innig
afkeurden, te verbieden. Gelukkig merkte Cordula er nog niets van en
Standje was in zichzelf al vast besloten op een of andere manier
Leontine de bloementakjes te ontnemen, voor zij er mee in huis kon
komen. Zij leidden haar verder rond, langs de wilgen van het beekje,
bij het zoogenaamde "Zonneputje" dat daar een ietwat breedere kom in
't smal riviertje vormde, en waar zij weer in een langdurige
verrukking stond over de duizenden, dicht-op-elkaar-gegroeide witte
waterbloempjes met oranje hartjes, die bij plaatsen er de gansche
opervlakte met hun woekerende weelde overdekten. Zij gingen met haar
in de stallen, toonden haar de koeien, de paarden, de zwijnen, wat
haar ietwat minder belangstelling scheen in te boezemen; zij lieten
haar kennis maken met Baron, den ouden, nog al onverschilligen
waak-en-karnhond, die van haar liefkoozende wenken geen notitie nam;
en eindelijk kwamen zij, door Cordula voor het avondmaal geroepen,
langs achter weer in huis, waar Standje haar haastig de bloeiende
appelboomtakjes uit de hand nam, onder voorwendsel dat ze dadelijk in
't water en den ganschen nacht op een koele plek dienden te staan...
Zij aten in de schemering der ouderwetsche, ruime keuken, waar veel
blinkend tin en koper hing omheen de gele wanden, onder de
zwartgerookte zolderbalken, de drie broers en het jong nichtje om een
laag groen tafeltje, zijlings van den haard. Er waren gekookte
eieren, hoofdkaas en gerookte worst, met tarweboterhammen en bier.
Zuster was per slot van rekening niet schriel geweest, zij had
fatsoenlijk haar eer "gekoaveld" en de drie broeders waren zeer
tevreden. Cordula zelve at niet mee aan tafel. Zij hield meer,
beweerde zij, van een bord karnemelkpap en aardappelen met
kaantjessaus, zooals de dienstboden straks zouden krijgen. Intusschen
ging zij af en toe weer met de hand onder haar schort en
haalde daar iets uit, dat zij met stil genoegen onder het heen en
weer loopen opknabbelde. Die lekkere "seekelou" van Leontientje
scheen toch al heel wat in haar stugge binnenste vermurwd te hebben.
Intusschen, onder het eten, praatten de ooms en het nichtje over
Leontientje's leven in Parijs. Zij vertelde hun dat haar vader nog
steeds werkzaam was in een groot pakhuis, waar hij reeds meer dan
twintig jaar zijn betrekking had en dat zij het huishouden deed en
ook nog wel thuis, in haar vrije uren, voor een grooten corset-winkel
werkte.
--Zeu, zeu, veur ne corse-wijnkel nog al!" zei Standje, met een
ietwat ondeugende belangstelling in zijn schitterlachende oogen.
--Ba joa, ba joa, ne luxe-artikel, e-woar? Hier, op den buiten,
'n he 't vreiwevolk da nie veele neudig," meende Belzemien.
Coben schudde 't hoofd en bewoog even, zenuwachtig, zijn sidderende
handen, als wilde hij beduiden dat hij daar niet veel verstand van
had.
--En veur de lingerie-wijnkel wirk ik euk almets," vertelde
Leontientje verder. "O! scheune dijngen, zille! Scheun fijn
ondergoed veur rijke damen, hoast allemoal mee dieren entre-deux en
kant. 'K he passeerde week 'n pakske noar huis gedregen, ge kost het
azeu aan oue kleine vinger droagen en d'r zat veur over de zeven
honder fran in."
--Ba zeu! ba zeu! Ha, da es toch 'n dijngen, e-woar!" riepen alle
drie de ooms verwonderd uit.
--Ha, da es zottigheid! viel Cordula barsch in. Da es geld wigsmijten
of nie weten wa mee gedoan! Woarveuren dient datte? Doar 'n es toch
ommers giene meinsch, die da ziet of ge fijn of grof ondergoed
droagt!"
--Ha joa moar, zuster, ge zeg gij datte! Ge 'n weet gij niet of 't
almets nie gezien 'n wordt!" riep Standje ondeugend glimlachend.
--O slech vreiwevolk, zeker!" smaalde Cordula met van diepe
minachting neertrekkende lippen. "De diee 'n zijn nievers beschoamd
in!"
Leontientje hield de oogen neergeslagen en zei een poosje niets
meer. Zij pelde een eitje, met zachte, beschaafde beweginkjes. Haar
frissche wangen kleurden zoet-rozig in den laatsten avondgloed die
door de ruiten scheen en haar mooi blond haar golfde sierlijk, vol
gouden tintelingen, om haar rein voorhoofd. Eerst na een tijdje
keek zij weder op. Haar heldere, blauwe oogen kruisten den
ondeugenden spotblik van Standje en zagen de ietwat verbouwereerde
uitdrukking op het gelaat van Belzemien en Coben. En zij begon
gedempt te lachen, met kleine, korte, ingehouden schokjes, terwijl
zij, met een warmere kleur over haar wangen, den blik weer op het
eitje vestigend, gegeneerd stamelde:
--Mais mon oncle tout de meme... comme vous etes drole...!
Vaag-achterdochtig keek Cordula met een schuinblik naar hem om; maar
zij zei niets meer, zij pruttelde alleen wat binnensmonds, dat de
anderen niet goed begrepen...
Plom... plom... plom... Een drietal trage, plompe klompstappen
buiten, voor de deur, op het plankier; en binnen kwamen Bruuntje de
knecht en Leonie de meid, gevolgd door Pierken, het jong
koewachtertje. Die wisten wel dat Leontientje aangekomen was, doch
hadden haar nog niet goed gezien. Bruuntje, een vriendelijk,
vijftigjarig ventje, met een fijnbesneden, regelmatig gezicht,
donkere oogen en zware gespikkelde snor, lichtte eventjes zijn pet op
en groette "elk ne goen oavend," terwijl hij zijn gewone plaats aan
de lange tafel naast een der ramen ging innemen. Leonie, de dikke
Leonie met haar grof gezicht en tandeloozen mond, schoof, nauwelijks
opkijkend zonder te groeten, langs den wand heen en ging tegenover
Bruuntje zitten, met den rug naar het tafeltje van de broers en het
nichtje; maar Pierken bleef een oogenblik roerloos in 't midden van de
keuken staan, als door een soort betoovering ter plaatste
vastgenageld. Zijn oogjes, waarvan het een ontzettend scheel was, zoo
scheel dat de appel voor meer dan de helft, als een slak in haar
huisje, onder 't hoekje van zijn neus zat weggekropen, staarden in
verbluffing naar het mooie nichtje, zijn mond hing half open en
langzaam kwam er een kleur over zijn bleeke sproete-wangen, alsof hij
voor een vuur stond.
--He Pier, stoa-je doar vaste gegroeid dan!" riep Bruuntje hem
spotlachend toe. En toen eerst kwam de kleine tot bezinning en ging
hij heel stil en verlegen naar zijn plaatsje, aan de rechterzij van
Bruuntje. Cordula bracht hun dadelijk een groote kom vol dampende
pap, zij vouwden de handen samen, en na een kort gebed en een
haastig kruisteeken, begonnen zij om de beurt, met hun groote,
houten lepels uit de gemeenschappelijke kom te scheppen en te
slurpen.
--Oh! mon Dieu!" riep Leontientje vreemd opkijkend, "ils mangent
donc a meme la terrine, sans assiettes!"
--Owie, owie, ils ne demandent pas ca. Ca est comme ca comme dans
le vieux temps," fluisterde haastig Belzemien met een verlegen
glimlach.
--Ils ne voudraient pas autrement," lichtte Standje, zonder veel
overtuiging toe.
Coben, die wel begreep, waarvan er kwestie was, doch geen Fransch
kon spreken, draaide zich even op zijn stoel, en kuchte
hoofdknikkend naar Leontientje, om te betuigen dat het werkelijk was
zooals Belzemien en Standje zeiden.
--Pauvres gens," zuchtte Leontientje meewarig.
En als van zelf, onder een geleidelijk ernstiger wordende stemming,
begonnen zij nu ook weer, met gedempte woorden, over tante Zeunia te
praten.
De laatste berichten, dien middag, na Standje's vertrek naar
't station, door Belzemien in Tante's huis van de non-verpleegster
ontvangen, luidden lang niet gunstig. Tante had een zwaar-woeligen
nacht gehad en verder een groot deel van den dag vrijwel buiten
kennis gelegen. Belzemien was dan ook maar heel even bij haar bed
mogen blijven, want de dokter vond te veel bezoek verkeerd en 't was
hem voorgekomen dat Tante van uur tot uur achteruitging. Hij
geloofde zelfs niet dat zij hem herkend had en naar Leontientje had
zij ook niet eens meer gevraagd.
Pages:
1 | 2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10