A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | U | V | W | Z

New Philadelphia Book Publisher Highlights Local Talent
Book and Publishing News from Publishers Newswire(tm)

Looking for Child to be on Cover of a New Book, 'The Model Child'
PHILADELPHIA, Pa. -- The Philadelphia literary world will celebrate the launch of two new players today, April 10th: Kay Square Press, a new publishing company focused on Philadelphia-area artists, their stories, and their art; and Kay Square's first release, 'With the Rich and Mighty: Emlen Etting of Philadelphia' (ISBN: 978-0-9815129-0-7), a critical biography by Kenneth C. Kaleta.

FlatSigned Press Alleges Don Imus Remarks Damage Legacy of President Gerald R. Ford
NEW YORK, N.Y. -- Nathan Yungerberg, an accomplished model scout and professional child photographer is launching a nation-wide casting call to find the cover model for his highly anticipated book release, 'The Model Child: A Parents Guide to the Child Modeling Industry' (ISBN: 978-0-9817018-0-6).


Book: Lente

C >> Cyriel Buysse >> Lente

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



--'K zal ze toch nog wel e-kier meuge zien, e-woar, pauvre
grand-tante!" vroeg Leontientje ontroerd.

--Natuurlijk, natuurlijk," zeide de ooms. En na wat heen en weer
gepraat werd besloten dat Cordula er den volgenden ochtend met
Leontientje heen zou gaan. De broers en de zuster waren veel minder
bang voor dat bezoek van 't jeugdig nichtje, nu Tante toch zoo zwak
geworden was, dat zij bij geen mogelijkheid nog iets aan haar
testament zoude kunnen veranderen.

Zij waren klaar met hun eten, en in de ouderwetsche boerenkeuken,
waar de bedienden nu uit een groote, platte teil, aardappels,
overgoten met kaantjessaus prikten, was het van lieverlede bijna
gansch donker geworden. Hunne gebogene gestalten teekenden zich
somber-wazig tegen de nog nauwelijks verlichte ramen af, in den
zwarten schoorsteen spookte de haardvlam roodend op, en Cordula's
lange, magere, donkere schaduw bewoog er zich als een gedrochtelijke
schim omheen. Maar buiten schemerde nog een vaag-zilverig licht van
heel teere en doezelige zachtheid en de ooms vroegen aan 't meisje
wat zij nu nog doen wilde: naar bed gaan of nog eventjes een
avondluchtje scheppen.

--O, buiten, nog ne kier buiten!" riep Leontientje juichend
opspringend. "'t Weer es toch zeu zacht en zeu scheune en in Parijs
zit ik hoast altijd tusschen muren opgesloten. Tante Cordula, goa-je
gij euk nie ne kier mee?"

--Moar nien nien ik, en al die schotels nog te wasschen zijn!"
antwoordde, op half bitsen toon, Cordula. En tot de dienstmeid:

--Ala toe, Leenie, jonk, as ge doar gedoan het goan we 'r al gauwe
mee beginnen."

Buiten was 't een avond als een zegen. Een zacht-dauwige frischheid
drong mild van zoet-gezonde geuren tot in 't diepste van hun wezen
en Leontientje ademde met wellust die nog ongekende weelde van het
landelijk leven in. Stil rees de volle maan in donkerblauwen,
onbevlekten sterrenhemel, achter de grauwe stroodaken der schuren op.
Haar helder licht glansde met zilvertintelingen in de
feeeriek-doorschijnende-appelboomkruinen en bleef glinsterend hangen
in het Zonneputje waar het lange, fijne, wemelende draadjes naar de
diepte peilde, tusschen de door den zachten stroom lichtkens bewogen
witte waterbloempjes met oranje hartjes. Droomerig gonsden meikevers
om hun ooren, grauwe vleermuizen fladderden geluidloos, als gejaagde
schimmen heen en weer, en uit de gansche wijdte van het wazigbleek,
zacht-sluimerend veld, steeg een vaag en dof gemurmel van
diep-en-geheimzinnig werkend leven. Alom, in de lauwe, mildvruchtbare
aarde, hoorde en voelde men als 't ware het sap in de opkomende
gewassen stijgen. Heel in de verte, achter het dorp, waar groote,
donkere tuinen waren, galmde plechtig het gezang van nachtegalen.

--O! da es hier toch amoal rustig en scheune! Ne meinsch zoo hier
wel altijd willen blijven," zuchtte Leontientje.

--Hawel, ge meug gij hier altijd blijven, schertste Standje.

--'t Es hier 'n greut verschil mee Parijs, e-woar?" meende Belzemien.

--Joa 't zille!" zei Leontientje, op stillen toon.

--Zoe... zoe... zoe-je peizen da... da... ge 't hier zoedt geweune
worden?" stotterde Coben.

Die stottervraag van Coben was als een ontnuchterende wanklank in de
zachte harmonie der geheele poetische stemming, en Leontientje, tot
de werkelijkheid teruggeroepen, antwoordde:

--Meschien wie weet, 't es toch zeu heul anders ne-woar?"

Een zware klok galmde in 't verschiet, de avondklok van het naburig
dorpje. Tien ure! Zij galmde melancholisch zwaar over het doodstille
landschap; en andere klokken in de verte antwoordden, de eene in
traag, de andere in sneller tempo, maar allen met iets
droef-aangrijpends in bun verre, wijd-verspreide eenzaamheid.
Hol blaften nu ook hier en daar, als antwoord op 't geluid der
klokken, de waakhonden op de reeds donkere hoeven. Zij blaften maar
even en zwegen. Een enkele baste nog een poosje door, met een
langgerekt, klagend gehuil. Toen word ook hij stil. Heel in de diepte
van den lichten lentenacht vol zoete geuren, ergens langs een
verlaten steenweg, ratelde nog, met overdreven groot geluid, een late
kar voorbij.

--O! en dat da nou in Parijs om deez' ure, de volle volte van
't plezier en 't leven es!" zei Leontientje op gedempten toon en met
als 't ware een zweem van spijt.--Overal lichten, en voituren en
scheune toiletten. En hier toch zeu eenzoam en zeu stille, e-woar?"

--Joa zeker,... joa zeker... 'n greut verschil, e-woar?" meenden nog
eens de broeders.

Achter de heldere ramen van het boerenhuis glom het gele schijnsel
van een aangestoken lamp. Langzaam keerde Leontientje met haar ooms
door de droomerige atmosfeer terug. Zij voelde zich vermoeid en
wenschte te gaan slapen. Bruuntje, Leenie en het koewachtertje waren
reeds ter ruste. Cordula stak een nachtkaars aan en opende de deur
van de "beste kamer".

--Bonne nuit, ma tante," zei Leontientje; en zij zoende Cordula, die
zich even verbaasd half achteruit trok.

--Bonne nuit, mon oncle, et mon oncle, et mon oncle...!" En om de
beurt werden ook de drie verrast-onthutste vrijgezellen door het
jeugdig-frisch meisje gezoend.

--Verdeeke! wa zijn da veur menieren, al da totten geven!" bromde
halfluid en verontwaardigd Cordula, toen zij in de keuken, bij de
drie geschokte oude vrijers terugkwam. "'t Es lijk of 't hier een
slecht huis woare!"

--Ha moar, da es Fransche mode, zuster, ge 'n meugt da nie kwoalijk
nemen," gichelde Standje nog gansch verrukt en geprikkeld.

Belzemien glimlachte, hoofdschuddend, vaag gegeneerd, met
fijn-knippende oogjes. Coben stond verbouwereerd te sidderen,
onduidelijke klanken stotterend.

--Slechte menieren, da zijn 't," bromde Cordula boos.--"En gulder,
ouwe dwoaze loeders, zijt doarmee gediend. O, da mannevolk, da
mannevolk! Doar 'n es niets in de weireld da zeu dwoas es of 'n
mannemeinsch! Ala toe, noar bedde nou. 't Es mij hier te keelen uit
verlied van doage!"

Met hooge schouders, als drie schuldigen, dropen de drie broeders
af, Cordula goe nacht wenschend, en trokken langs de zoldertrap naar
boven.

* * * * *

Toen Cordula den volgenden ochtend reeds vroeg met Leontientje in
het dorp voor Tante's deur aanbelde, berichtte de non met een
bezorgd gezicht, dat het heel slecht ging met Tante en dat de dokter
voorloopig alle bezoek ten strengste verboden had.

--Zelfs heur nichtsjen uit P'rijs niet, woar da ze zeu noar gevroagd
het? vroeg Cordula, zonder evenwel sterk aan te dringen.

--Niemand, niemand, het den dokteur gezeid," bekrachtigde de non met
stillen nadruk haar woorden.

Cordula keek met ernstige oogen naar Leontientje, die er een bedroefd
gezicht bij zette.

--Moeten es dwang, doar 'n es niets aan te doene," sprak ze
berustend. En langzaam trok ze met Leontientje terug, nadat ze aan de
non gezegd had, dat ze 't koewachtertje 's middags nog eens om nieuws
zou sturen.

* * * * *

--Ba zeu! ba zeu! 't es er zeu slecht mee,!" zei
gewichtig-hoofdschuddend Belzemien, toen Cordula, met Leontientje
weer thuisgekomen, hem de nare tijding meedeelde.

--Da es toch spijtig ewoar?" zuchtte Leontientje. "En ik die espress
van zeu verre kom om Tante nog ne kier te zien!"

--T'n es doar nie aan te doene," meende nu ook de oudste broer. "Ge
zilt hier ienige doagen moeten blijven, Leontientsje, en wachten hoe
dat 't verder afleupt."

--'t Es da 'k zeu weinig tijd he," vreesde Leontientje. "Papa 'n kan
mij zeu lank niet missen."

Coben en Standje kwamen binnen, hoorden de slechte mare, beaamden
ook dat er niets aan te doen was en dat Leontientje daar 't verder
verloop maar moest afwachten. "'t Es scheun weere," zei Standje
verleidend, "en 't es veur ou al nieuwe da g' hier heurt en ziet. We
zillen ons beste doen om ou hier ienige doagen t' amezeeren."

--Joa, 't zal wel moeten," dacht nu ook Leontientje; en zij vroeg
pen en papier om aan haar vader te schrijven.

Belzemien trok met Coben en Standje even buiten, terwijl het meisje
haar brief aan 't opstellen was.

--Wa zoen we nou wel keunen doen om heur t' amezeeren?" vroeg de
oudste broer knipoogend.

Standje, die daar reeds over nagedacht, maar nog niets gevonden had,
krabde dubieerend achter zijn oor, terwijl Coben, zonder eenig
verstand van zulke dingen, als verdwaasd-starend ten gronde keek. Dat
eenvoudige vraagstuk klonk als een heel moeilijk, bijna onoplosbaar
probleem.

--K'n weet 't woarachtig zelve niet," zei Standje eindelijk. Joa,
wa zoen we wel keunen doen? 'n Beetse goan wandelen? Nog ne kier mee
heur uitrijen?"--Standje wist eigenlijk wel 't een en ander, hij
had verschillende plannen in zijn hoofd, maar Belzemien en Coben
moesten 't helpen goedkeuren, en hem desnoods verdedigen, tegen
vermoede dwarsboomerij vanwege Cordula. Zwijgend ondervragend keek
hij even naar zijn broeders op, die hem ook even, vaag-wantrouwig,
ondervragend aankeken.

--'T 'n zal in alle geval veur nie lank zijn," drong Standje
voorzichtekens aan. "Wil-e 'k ik bij veurbeeld van doage mee heur
uitgoan en ien van ulder morgend?"

--Ba joa, ba joa, we zoen 't meschien azeu keune probeeren," zei
Belzemien zonder veel overtuiging. "Wat dijnkt er ou van, Coben?"

--Ba ba ba ba ba 't dijnke mij dat 't azeu nog al goed es," begon de
stotteraar eensklaps ontzettend zenuwachtig te brabbelen.

--Hawel weet-e watte," zei Standje, die d'r dadelijk vlug genoeg bij
was: "gee mij van den achternoene nog ne kier Bello, we zillen 'n
beetsen uitrijen."

--Ha joa joa joa moar, verdeeke! 'K zoe zelve wel..." herbegon Coben
te hakkelen.

Maar Standje deed of hij 't niet eens hoorde en riep van verre in
opgewonden vroolijkheid naar Leontientje, die juist met haar briefje
uit het huis kwam:

--Leontine, moakt ou moar geried, zille! We goan d'r van den
achternoene nog ne kier op uitrijen!"

--Es 't toch woar, nonkel Constant!" kwam 't meisje juichend met een
hooge kleur van blijdschap naar hem toegeloopen.

Maar eerst was er voor haar nog iets anders te zien.

Daar kwam Bruuntje over 't hof, gebogenloopend naast Baron, dien hij
bij zijn halsband vasthield. De oude hond moest in de karn-machine en
de ooms namen Leontientje mee om haar te laten zien hoe dat gebeurde.

Het groote ronde karn-wiel met plankenbodem stond tegen den
buitenmuur van 't achterhuis, door een laag houten traliehekje van den
boomgaard afgesloten. Het hekje werd geopend. Baron door Bruuntje in
bet wiel geduwd, bet deurtje weer gesloten; en, onder de machinale
pooten-beweging van den hond over den ronden planken-bodem, begon
het wiel te draaien, terwijl daarbinnen in bet achterhuis, de
boterkarn aan het klutsen ging.

--O! comme c'est curieux!" riep Leontientje, door het
grappig-eigenaardige der uitvinding verrast.

--N' is pas?" glimlachten Belzemien en Standje, gelukkig over haar
verrassing.

Langzaam aan wentelde vlugger het rad, den hond, die reeds begon te
hijgen, ook machinaal, onder het harder klutsen van de boterkarn in
't achterhuis, tot vlugger trappen dwingend. Maar eensklaps jankte hij
en wipte, als onder een zweepklap, half op.

--Ooo! woarom schriemt hij?" vroeg Leontientje meewarig.

De broeders moesten even lachen en Standje legde 't haar uit:

--'t Es dat bij 't hekel in zijn gat voelt! Zie-je wel, die planke
doar, mee ijzere peunten, achter zijne steirt. Van as hij wa
vertroagd geroakt bij achteruit en de peunten stekken in zijn vel."

--Oh! comme c'est cruel!" klaagde Leontientje haast verwijtend.

--Me non, me non, hij 'n moe moar 'n beetsen opletten, zei Belzemien.
"Ne kier dat hij de goejen trampel het, 'n roaken de peunten hem nie
meer oan."

--Moar woarom es da neudig?" vroeg Leontientje.

--Wel, omdat hij anders nie veurt 'n zoe wirken. Hij zoe van langs
om troager leupen en de kirn zou eindelijk blijve stillestoan."

--Och, en hoe lank moet hij azeu trampelen?" vroeg Leontientje, nog
steeds meelijdend.

--Da es noarvolgens dat de kirn vroeg of loat af es: vijf koartiers,
'n uur en half almets."

--Ach!... en zonder iene kier te rusten?"

--Natuurlijk; van os er hij uitschiedt, krijgt hij weere 't hekel in
zijn vel."

--Och...!"

--Joa moar 't 'n es zeu irg niet of da ge wel mient, ieffreiwe,"
glimlachte nu ook Bruuntje, die nog even bij het wiel was blijven
stoan. "Dat hij ne kier nen achternoene nevens mij in de schure
moest stoan desschen, hij zoe al anders piepen."

--Pauv' bete,". jammerde niettemin Leontientje, den blik strak op
den aldoor trappelenden hond gevestigd.

Maar het leek werkelijk of het toch wel iets minder akelig was dan
zij eerst dacht. Heel gelijkmatig wentelde nu 't groote wiel in het
gekadanseerde klotsen van de karn onder zijn trippelende pooten
door, en de punten van het hekel raakten hem langs achter niet meer
aan. Baron had blijkbaar den gewonen "goejen trampel" gevonden.
Alleen zijn roze bek vol scherpe, witte tanden hing angstig-hijgend,
met klapperende, droge tong wijd-open, en zijn uitpuilende,
bloeddoorstriemde oogen staarden met een wreede blikkering in zijn
naar de toeschouwers halfomgedraaiden kop.

--Ach, 'k vind het toch nog al wried," zuchtte Leontientje zich van
het schouwspel afwendend.

--Es 't woar?" zeiden de broeders verwonderd, en eenigszins
teleurgesteld gingen zij verder met haar in den teer-bloeienden
boomgaard wandelen.

* * * * *

Het werden abnormale, gekke dagen op de ouderwetsche, eertijds zoo
rustige, deftige hoeve. 't Gewone, dagelijksch leven was er
opgeschorst, er was geen regel noch kalmte meer, alles stond en lag
en liep er overhoop. Belzemien slenterde al van den vroegen ochtend,
gekleed als een net buitenheertje, over 't erf, Coben had zijn
blauwen kiel afgelegd, droeg schoenen in plaats van klompen en zond
halve dagen Bruuntje met de paarden 't werk verrichten dat hij
vroeger, met jaloerschen naijver, zelf uitvoerde op den akker. Er
bestond tucht noch toezicht meer: Bruuntje werd niet nagegaan;
Pierken stond soms uren lang te dralen en te gapen, zijn akelig
scheel oog gelijk een eigenaardig schuchter beestje onder 't hoekje
van zijn neus half weggekropen; de dikke, slonsige meid kreeg bijna
iets opruierigs in het geweld waarmede zij haar vaten en haar emmers
door elkander rinkelde; en Standje, heelemaal los van alle
plichtsbesef, leefde en fuifde maar met Leontientje door, in een
voortdurende roes van opgewondenheid.

Zoolang het meisje 's ochtends nog niet uit haar kamer was, waren zij
geen van drieen uit den boomgaard weg te krijgen. Zij liepen
slenterend rond of troepten samen, quasi-gewichtig doende, alsof zij
heel ernstige dingen te bedisselen hadden; maar voortdurend weken hun
oogen schuins om, naar de gesloten ramen van de "beste kamer", en
't was als een verlichting toen de grijze rolgordijnen, eindelijk
opgehaald en de vensters wijd opengeduwd werden. Zij stak haar frisch
en vroolijkblozend blonde kopje uit, zij riep! "Bonjour, mon oncle
Belzemien! Bonjour, mon oncle Coben! Bonjour, mon oncle Constant!"
en wanneer Cordula niet te dicht in de buurt was, schoten zij ijlings
toe en kregen ieder door het raam een frisschen ochtendzoen, die dan
door heel hun lichaam als het ware suisde en duizelde. Meteen wipte
zij vogellicht naar buiten, snoof, als dronken, de heerlijk
verkwikkende lentelucht op, holde stoeiend als een kind, onder de
bloeiende boomen en langs 't bloeiend beekje heen en weer, tot zij
eindelijk hijgend, met vuurroode kleur, bij Cordula in de keuken kwam
om te ontbijten.

Maar Cordula hield er nu wel helderziend en koel haar hoofd bij; en
na de onthutste overrompeling van den eersten dag, was zij van
lieverlede weer heel stug en nurksch geworden, vol leedwezen over
haar zwakke toegevendheid, verontwaardigd over de malligheid van
alle drie haar broers, inwendig razend zonder 't nog openlijk te
durven uiten, over die gansche omwenteling welke de enkele komst van
't jeugdig nichtje in den zoo kalmgelijken gang van hun gezin
veroorzaakt had.

Van om-de-beurt met Leontientje uit te gaan was niets gekomen.
Belzemien en Coben schenen instinctief te voelen dat zij daar
eigenlijk minder geschikt voor waren, en 't was alleen met Standje
dat het meisje elken dag hare plezier-uitstapjes ondernam.

--Goat da hier nog niet hoast gedoan zijn, mee da spel!" barstte
Cordula dan telkens na hun vertrek woedend tegen de twee
thuisgebleven broeders uit. "Wa moen de meinschen doarvan peizen! Ha
'k ben toch zeu beschoamd, e-woar, da 'k hoast mijnen neuzel buiten
de deuren nie mier 'n durve steken! Doet dat toch ophouen, Belzemien!
Wa moe ons wirkvolk doarvan peizen? Zie-je gij dan niet da ze gien
half wirk mier 'n verrichten? Teug verdeeke toch ne kier da g' hier
den ouwsten en den wijsten zijt? Teugt da ge nog ou verstand het en
da g' hier den boas zijt!"

Maar Belzemien toonde niets en bleef talmen en aarzelen. Hoe moest
hij dat ook te keer gaan? Wat moest hij doen? Wat moest hij zeggen?
Leontientje was dol op die uitstapjes. Zij vond het zoo heerlijk hier
buiten en er gebeurde toch niets verkeerds. Het zou van zelf wel
eindigen, zoodra 't met Tante... ja... Tante... die was eigenlijk de
geheele oorzaak van alles!--En, trouwens, Belzemien waakte, o, wat
dat betrof mocht Cordula gerust zijn: hij hield Standje in 't oog,
hij had hem reeds herhaaldelijk tersluiks op een afstand gevolgd
terwijl hij met Leontientje in het veld ging wandelen. Maar, zie-je
wel: 't meisje ging nu eenmaal zoo graag wandelen; er moest wel
iemand met haar meegaan, en hij, Belzemien, deed dat toch maar liever
niet, zoo waar iedereen het zien kon, ter wille van zijn positie als
hoofd van het gezin en als lid van den dorpsgemeenteraad. Cordula
moest nu nog maar 'n heel, heel klein beetje geduld hebben en alles
zou in orde komen.

Cordula, die haar geduld tot het uiterste op had, besloot, als het
mogelijk was, er een eind aan te maken. Op een middag schoot ze haar
zwarten kapmantel aan en, zonder iemand van de anderen met zich mee
te willen, trok zij, vastberaden naar het dorp, om zelve nog eens
te hooren, en, zoo mogelijk, te zien, hoe het nu eigenlijk met Tante
gesteld was.

Leontientje bleef dien middag ook liefst thuis. Het weer was mooi
en warm, bijna te warm voor 't jaargetijde; en, na Cordula's
vertrek, had ze zich in het bloeiende gras, onder de schaduw van een
verrukkelijk-bloeienden appelboom, dicht bij den oever van het
Zonneputje neergevleid. Standje zat naast haar, op de malsche groene
zoden, grapjes te vertellen. Belzemien draaide glimlachend, met
fijngeknepen oogjes om haar heen en Coben was bezig met zich uit een
lange, dunne wilgentwijg een nieuwe zweep te snijden.

--Oh, comme il fait lourd et chaud, aujourd'hui," zuchtte
Leontientje.

--Owie, owie, tre chaud, nous aurons peut-etre de l'orage," beaamden
Belzemien en Standje.

De tintelende zonnestralen priemden door de bloeiende kruinen in het
Zonneputje en deden er 't zacht-vliedend, helder water, in de open
ruimte tusschen de glinsterende, dicht-ineen gegroeide deken van
witte sterrebloempjes-met-oranjehartjes, levend wemelen en
sprenkelen. Kleine, ronde, gitzwart-glimmende beestjes schoten er
bliksemsnel, in allerlei grillige wendingen en kronkelingen over de
oppervlakte heen en weer; en 't was of ieder in zijn dolle
wentelingen op zijn fonkelend, bol ruggetje een
flikker-zonnestraaltje medevoerde, die nog steeds en eindeloos, als
zooveel ijle gouden draadjes door elkaar geweven, er een trillend
vuurnet over 't frissche water spanden. Het lokte
almachtig-verleidend, als een zacht en stil lavend fonteintje, en
eensklaps richtte Leontientje zich half overeind en riep uit:

--O wa he 'k toch goeste om doar in te goan: Nonkel Constant,
wilt e mij liere zwemmen!"

--Wa zegt-e doar!" riep Standje verbaasd.

--O! in 't woater goan, mee die woarmte! Keunt-e gij zwemmen, nonkel
Constant, en wilt-e 't mij lieren?"

Standje kon wel wat zwemmen en had ook dikwijls in zijn jeugd met de
jongens uit de buurt in het Zonneputje geploeterd, maar dat was al
zoo lang geleden en sinds geen vijf en twintig jaar had hij zelfs
aan baden meer gedacht. Hij had dan ook de woorden op de lippen om
Leontientje's voorstel als toch al te gek van de hand te wijzen;
doch plotseling ontstond in hem, met een besef van veiligheid door
Cordula's tijdelijk afwezig-zijn, de sterk-verleidende intuitie van
een groote, opwindende pret, en hij antwoordde, de oogen stralend:

--Joa moar, es 't serieus? Het-e oprecht goest om in 't water te
goan?"

--O joa ik, joa ik, joa ik!" juichte Leontientje eensklaps
opspringend, huppelend en dansend van blijdschap.

--Joa moar, het-e gij doar klieren veuren."

--Joa, joa ik, loat dat aan mij moar over; 'k zal da wel arrangeeren!"

Belzemien en Coben, die 't gesprek gehoord hadden, kwamen haastig
toegesneld.

--Joa moar, verdeeke, verdeeke," schuchterde Belzemien, als vond hij
't wel wat al te kras. Coben stond even, verdwaasd, onduidelijk te
stotteren, zijn gedeeltelijk gepeld, half groen, half wit
wilgentwijgje met de afhangende rafels, als een feestkaars in de
sidderende hand.

--Och, as 't ou blieft, nonkel Belzemien, as 't ou blieft, nonkel
Coben!" smeekte Leontientje.

En de twee oudere broers, door een gelijke intuitie als die van
Standje verlokt en bekoord, stemden ook eindelijk glimlachend en
hoofdschuddend toe.

Leontientje vloog naar haar kamer en Standje naar den zolder om zich
te verkleeden.

Na enkele minuten kwamen zij bij de in zenuwachtige ontroering
wachtende broeders, als twee ongekende, vermomde wezens, terug:
Leontientje in een met een touwtje om het middel vastgebonden wit
nachthemd, Standje in een oude, vuile broek en een korten, blauwen
boezeroen van Coben. Zij kwamen lachend en ietwat gegeneerd om hun
eigenaardige plunje, alle twee barrevoets over het mollig gras onder
de bloeiende boomen naar het Zonneputje toe. Standje zag er uit als
een verschrompeld karikatuur-ventje, zoo sehraal en houterig met zijn
smal kippeborstje en zijn dunnen bruinen baard; maar Leontientje was
om dol te worden van verrukkelijke, frissche schoonheid. Haar kleine
bloote voetjes huppelden als twee eigenaardige, roze, naakte,
nooit-geziene beestjes door het gronde gras, waar zij wemelende
lichten schaduwvlekjes, gouden boterbloempjes, witte madeliefjes en
rozige appelbloei-blaadjes al door elkaar schenen te doen stoeien en
te wentelen; haar oogen glansden en haar blonde haren schitterden in
krinkelenden lichtglans om haar blozend gezicht; en de volmaakte
vormen van haar slank en lenig lichaam lieten zich bekorend raden en
verraadden zich, onder de lange, strakke plooien van het om haar
middel toegeregen witte nachtkleed.

--Hawel-e-wel-e-wel! Hawel-e-wel-e-wel!" riep Belzemien, die
door geen andere woorden zijn stormachtige gevoelens scheen te
kunnen uiten. Coben stond als 't ware stom ten gronde vastgegroeid,
het halfgepelde wilgenstokje trillend in zijn zenuwachtig-sidderende
handen.

--Kom, zei Standje. En met plotselingen moed liet hij zich van den
oever glijden.--Brrr! rilde hij, ondanks het water haast lauw was.
Even klapperden zijn tanden en twee blauwacbtige vlekken kleurden
boven zijn magere jukbeenderen. Hij plonsde met de beide handen en
al de krinkelende, zwarte glimbeestjes schoten schichtig, langs alle
kanten, onder de witte-bloempjesdeken-met-oranjehartes weg.

--Es 't koud, nonkel?" vroeg Leontientje met gevouwen armen op den
oever schouderhuiverend.

--O, nien nien 't, nien nien 't' hikte Standje klappertandend. Kom,
geef mij moar ou hand, 'k zal ou helpen."

--O, 'k 'n durve bijkans niet," griezelde nu Leontientje. Maar ze
voelde 't water met een van haar bloote, rose voetjes, stak het wat
dieper, zette zich op den grasrand, waagde`ook het tweede voetje,
stak beide handen uit naar Standje--... en eensklaps, met een
grooten plons stond zij in het Zonneputje!

--O, nonkel! nonkel! Brr! Brr!" huiverde zij.

Maar 't duurde slechts een heel kort poosje. Dadelijk was de eerste,
koude aanvoeling over, en gichelend, met hoogkleurende wangen, aan
Standje's handen vastgeklemd, liet zij zich zacht naar 't midden van
het beekje medetrekken.

Daar had ze een oogenblik verschrikte ontzetting. Haar witte
nachtrok bolde als een stolp boven het water op en zij stond met
bloote beenen in het helder putje.

--Oh! mon Dieu! mon Dieu!" gilde zij, met beide handen het
weerspannig stijve goed neerslaande. Maar het ging niet zoo gauw en
zij vond er geen ander middel op dan plotseling tot aan den hals
hurkend neer te duikelen. Zij hijgde even, door benauwdheid bevangen
en toen ze zich weer oprichtte hing het gansche sijpelend gewaad om
haar lijf gespannen en geplakt, sierlijk afrondend de zachte
schouders en de malsche heupen; omgietend, zoo duidelijk als in een
vorm van gips, de ferme, maagdelijke borst.

--Ooo kreunden Belzemien en Coben, met veranderde gezichten tot op
den uitersten oeverrand van het beekje geschoven, terwijl Standje,
als bedwelmd van emotie in het water stond te beven.

--Toe, nonkel, lier mij nou zwemmen," smeekte Leontientje.

--Goed, legt ou veurover neere," hijgde Standje. "Azeu zie, mee oue
kin in mijn hand. Ge 'n moet nie schouw zijn, 'k he ou goe vaste."
En hij sloeg zijn rechter arm onder haar middel. "Ala, begin nou
moar, mee oarms en bienen te gelijk. Moar niet te ziere, niet te
ziere! Stillekes, op ou gemak. Ge 'n moet moar zjuust doen lijk nen
oakpuit"(1).

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. knowncrafts.net. All rights reserved.