A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | U | V | W | Z

New Philadelphia Book Publisher Highlights Local Talent
Book and Publishing News from Publishers Newswire(tm)

Looking for Child to be on Cover of a New Book, 'The Model Child'
PHILADELPHIA, Pa. -- The Philadelphia literary world will celebrate the launch of two new players today, April 10th: Kay Square Press, a new publishing company focused on Philadelphia-area artists, their stories, and their art; and Kay Square's first release, 'With the Rich and Mighty: Emlen Etting of Philadelphia' (ISBN: 978-0-9815129-0-7), a critical biography by Kenneth C. Kaleta.

FlatSigned Press Alleges Don Imus Remarks Damage Legacy of President Gerald R. Ford
NEW YORK, N.Y. -- Nathan Yungerberg, an accomplished model scout and professional child photographer is launching a nation-wide casting call to find the cover model for his highly anticipated book release, 'The Model Child: A Parents Guide to the Child Modeling Industry' (ISBN: 978-0-9817018-0-6).


Book: Lente

C >> Cyriel Buysse >> Lente

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



[Noot van de schrijver:
(1) Kikvorsch.]

Leontientje broddelde en plonsde, het water spatte schuimend op, zij
kreeg een gulp in den mond, stikte, spuwde, rechtte zich weer,
omgoten door het indiscreet plakkend nachtkleed, overeind. Standje,
gek van bekoring, kon er zijn oogen niet van afwenden, Coben en
Belzemien hielden zich hijgend aan de takken van een wilg geklemd om
niet in het water te storten en merkten zelfs de tegenwoordigheid
van Bruuntje, Leonie en Pierken niet, die ook onweerhoudbaar waren
komen kijken. Bruuntje's fijn gezicht, met donker oog en zwaren
knevel stond, onder een onbeschrijfelijken glimlach, als 't ware door
het schouwspel gehypnotiseerd, Leonie staarde met een uitdrukking van
walg en knorrige minachting en Pierken bleef daar roerloos als een
boompje in den grond geplant, zijn blonde, bijna witte stekelharen
recht omhoog gepijld, zijn lipjes open, het eene oog
rond-glinsterend op Leontientje, het ander als een schuchter
wit-bruin slakje in het hoekje van zijn neushuisje half weggekropen.
Eensklaps keerde Belzemien zich om, zag hen daar allen staan,
schrikte geweldig op, keek even schichtig in het ronde, of er soms
nog meerdere kijkers kwamen; en meteen tot bewustzijn en gevaarsbesef
terug geroepen, riep hij angstig, kort-dringend en bijna gebiedend:

--'t Es nou genoeg, Stand! 't Es nou genoeg, Leontine! Toe, komt er
nou moar uit. Kerdule kan doar alle menuten weere zijn!"

Leontientje gehoorzaamde. Schaterend van vreugde ploeterde en
plonsde zij nog een laatste maal dansend en draaiend met Standje in
het van lieverlede troebelblond geworden Zonneputje rond en kwam dan
naar den oever toe gewaad. Standje vloog om er haar uit te
helpen, maar de twee oudere broers waren hem ditmaal voor. Beiden,
zich krampachtig aan de wilgetakken vasthoudend, reikten Leontientje
een bevende hand toe en haalden haar uit het water, even nu van
dichtbij dingen ziende, die bun oogen van bedwelming deden draaien.
Maar zoodra zij weer op vasten grond was ontsnapte Leontientje hen
lachend; en haar bloote, roze voetjes, die nu glinsterende
pareldroppels door het bloeiend gras schenen te sprenkelen,
vluchtten naar het woonhuis toe.

Standje, afgemat en hijgend van emotie, volgde haar in zijn
druipende en plakkende kleeren, als een groote, magere, slijkerige
bond met ruige haren.

* * * * *

Belzemien en Coben waren eenigszins van hun ontroering bijgekomen;
Bruuntje, Leonie en Pierken waren weer, onder den invloed van
verschillende en afwisselende gevoelens, naar hun werk; en Leontine
en Standje verschenen opnieuw, als gewone menschen in hun
dagelijksche kleeding in den boomgaard, toen eensklaps, in de
zachte, warme, stille lucht, wijd over de rust der weelderige
lentevelden, een ver en traag klokkengetamp weergalmde.

Aandachtig-luisterend keken de broeders op. Was dat de doodsklok
niet! Zij stonden even roerloos in het gras, onder de bloeiende
kruinen, en meteen wisten ze 't: ja, het was de doodsklok, en wel
de doodsklok voor een overledene met vermogen, "veur ienen mee 'n
ziele" zooals de menschen zeiden.--O, zou Tante misschien
plotseling...

Zij hadden niet den tijd hunne beschouwingen daarover uit te
spreken. Eensklaps kwam Cordula hijgend om den hoek van 't huis met
opwaaiende mantelslippen aangerend, en zij riep van verre, met holle
stem en strakke, donkere oogen:

--Tante es deud!... Hoast ulder; kliedt ulder op ulder best en kom
seffens mee mij mee bij den notoarus om 't testament t' heuren
aflezen!"

Het was een heftige, onverwachte opschudding! Wanneer was ze dood?
Hoe was ze dood? Waarom was niemand bijtijds komen waarschuwen? De
ontstelde vragen kruisten door elkaar, al het overige was ineens
vergeten; meid en knechts lieten hun werk liggen om te komen hooren;
de broers, Leontientje, Cordula, liepen zenuwachtig, als verloren
heen en weer; en het geval werd hun in zijn omstandigheden al niet
duidelijker: zij begrepen slechts helder de gewichtige gebeurtenis,
het feit op zichzelf, dat Tante plotseling gestorven was en dat zij
als erfgenamen onmiddellijk bij den dorpsnotaris opgeroepen werden
om er Tante's testament te hooren voorlezen.

--Ala toe, hoast ulder, hoast ulder, we moeten d'r direkt noartoe!
herhaalde steeds Cordula, gejaagd en opgewonden.

Rechts en links holden zij uit elkaar, Leontientje naar de "beste
kamer", de broeders naar den zolder.

--Wa es da hier? Wie het-er hier mee natte voeten over de vloer
geleupen?" riep knorrig Cordula, toen zij in de keuken kwam.--Kijk
ne kier, hier, noar de beste koamer toe, en doar, noar de zolder!"

Doch niemand gaf een antwoord. Zij dachten al niet meer aan 't pas
gebeurde; en zelfs Cordula drong niet aan, geheel en al door 't andere
in beslag genomen. Zij stond daar even roerloos-aarzelend in de keuken
als onder diep-gespannen denken, en toen spoedde ze zich eensklaps
stil naar boven, bij de haastig zich op hun best kleedende broeders.

--'k Ben toch zeu gejoagd en zeu schouw," hijgde ze met een
angstgebaar naar de kamer onder zich, waar Leontientje was,--'k ben
toch zeu ieuwig schouw dat dat "dijnk" in 't testament zal
beveurdielt zijn."

--O, 'k 'n peist niet, 'k 'n peist niet, Tante was al te verre gezet
as Leontine gekomen es; en euk: ze 'n he ze nie gezien," poogden de
broeders haar gerust te stellen. Maar zij zelven voelden zich al niet
geruster dan Cordula, er was een scherpe strijd in hen tusschen hun
verrukking voor het nichtje en hun vrees voor geldelijke schade; en
even angstig als Cordula zelve waren zij naar den inhoud van het
testament benieuwd.

--Dat da moest woar zijn, 'k zoe d'r iets van krijgen, 'k zoe d'r
mijn deud aan hoalen!" beefde Cordula met wijd-uitgezette oogen.
--Maar eensklaps zag ze Standje's natte kleeren op een hoopje in den
hoek liggen, en voor de tweede maal vroeg ze, bitsig en dringend:

--Moar wat ten duvel het-e gulder hier toch uitgesteken binst da
'k wig was? Van woar komt toch al die nattigheid en die vuiligheid in
huis?"

--Wel, Hiere, 'k he ne kier gezwommen. Es da nou toch zuk 'n doanig
dijngen!" antwoordde Standje, kribbig wordend.

--Gezwommen!" riep Cordula met open mond en verwilderde oogen.
Gezwommen!... mee heur... in de beke?"

--Wel joa, wel joa, in 't Zonneputsen! Wa es er doar nou aan gelegen!
Wa veur kwoad es er doar oan?" nijdigde Standje.

--O! die sloeze!" gilde Cordula schor van verontwaardiging.--O, die
sloeze! En wa veur 'n leulijke vuilerikken moet-e gulder euk toch
zijn, die doarin behoagen schept! En he 't wirkvolk da gezien? 't Es
'n schande! 'n schande! 'K 'n wee niet hoe da g' ulder op ulder hof
nog teugen durft!"

Zij sidderde van woede en haar groote, leelijke donkere oogen
straalden met vernietigende bliksemschichten in haar geelbleek,
beenderig, ontsteld gezicht.--O, gie leulijke, leulijke, vieze
leulijkoars!" herhaalde ze, tot stikkens toe verwoed. En met een
walgkreet rende ze de trappen af.

Zwaar-melancholisch galmde aanhoudend uit den verren kerktoren het
traag en loom gekadanseerd getamp der doodsklok, wijd over de
zachtgolvende groene en blonde, in stillen, warmen zonneglans badende
lentevelden...

* * * * *

Gelukkig had Tante niemand bevoordeeld...!

In 't duffe, schemerig kantoor van den dorpsnotaris hoorden de
angstig-benauwde en ontroerde broeders en Cordula het testament
voorlezen, dat aan iederen staak zijn recht liet wedervaren en enkel
voor begrafenis, voor een aantal missen en jaarlijksche diensten,
alsmede voor een donatie ten gunste van de meid en van het klooster
der non die Tante verpleegd had, eene bepaalde, door de erfgenamen
nog al hoog gevonden som afzonderde. Al het overige mocht in vijf
verdeeld en, na afrekening der onkosten, zou er voor ieder nog wel
tusschen de twaalf en dertien duizend frank overblijven.

Cordula voelde zich gestild, verzoend, gerustgesteld, te meer daar nu
van zelf aan het verblijf van Leontine wel een eind zou komen. Er was
reeds naar haar vader getelegrafeerd om de begrafenis bij te wonen en
Leontientje's erfdeel in ontvangst te nemen. Ook Belzemien en Coben
schenen eensklaps gekalmeerd, door de eene emotie van de andere
bevrijd; en alleen Standje verkeerde nog aldoor in een gejaagden,
opgewonden toestand. Het leek wel of er plotseling een ommekeer had
plaats gehad in het gemoed van Standje. Hij lachte noch schertste
meer; hij liep ernstig en bekommerd en toch doelloos met gebogen
hoofd en saamgefronste wenkbrauwen heen en weer, als in diepe,
ingewikkelde gepeinzen. Eindelijk scheen hij een moedig, vast besluit
te nemen; en 's avonds, voor de begrafenis en de komst van
Leontientje's vader, verzocht hij 't meisje om een wandelingetje in
de maan over den stillen boomgaard, en vroeg het haar ineens,
ontembaar, met angstig-draaiende oogen en van knellende ontroering
hikkende stem:

--Leontientsje... Leontientsje... 'k vind ou zeu scheune... 'k ben
zot van ou... wilt-e mee mij treiwen?"

Leontientje, denkend dat hij, zooals altijd, schertsen wilde,
barstte in een klinkenden schaterlach uit.

--O, nonkel, nonkel! nonkel!" gichelde zij.--Maar zij zag in 't
bleeke manelicht den verwilderden glans van zijn oogen en hoorde
zijn hikkend, sissend ademhalen; en plots werd zij ernstig en bijna
bang.

--Moar nonkel toch! nonkel toch!" hernam zij, zachter.

--'k Ben zot van ou! 'k zoe mijn leven veur ou loaten! Als ge wilt,
't wordt hier loater amoal 't oue!" herhaalde hij smorend,
opgewonden.--Zeg, Leontientsje, wilt-e? wilt-e?--En hartstochtelijk
greep hij haar hand.

Huiverend wrong ze die langzaam los, trad een paar schreden
achteruit:

--Ha moar, nonkel toch, wa peist-e! 'k 'n ben moar 'n kind, en
gij..."

--Joa joa, 'k weet 't wel, en ik ben oud!" viel hij haar driftig in
de rede...--Moar 't es gelijk, ik zie ou geirne, sedert dien
achternoen in 't Zonneputsen ben ik zot van ou geworden! O,
Leontientsjen, as 't ou b'lieft, as 't ou b'lieft moak mij gelukkig!
Mijn leven es hier zeu droevig! 'k 'n he nog noeit gien uur oprecht
plezier g' had in mijn leven!"

Hij snikte 't uit, zwak en flauw als een klein kind. Al het jarenlang
verkropte wee van zijn kleurloos oud-vrijgezellen-leven stormde als
een zee van woestheid in hem op, hij vergat den afstand en de jaren,
zijn onverbruikte jeugdkrachten eischten bevrediging, hij klaagde en
kreunde en zuchtte en smeekte, in een ontembaren,
tragischmachteloozen, folterenden aandrang van eindelijk
willen-genieten en gelukkig zijn. Hij vatte weer haar hand en knelde
die onstuimig in de zijne, haar smoorlijk naar zich toe halend; en
plotseling omsloeg hij met zijn arm haar middel, prangde haar woest
tegen zich aan, poogde op haar frisschen mond een gulzig-sidderenden
zoen te drukken.

--Ge 'n meug nie, nonkel! Ge 'n meug niet! Ge 'n meug niet! Als ge
mij nie los 'n loat, goa 'k roepen!" griezelde zij, met geweld het
hoofd afwendend en zich krachtig uit zijn knelling ontworstelend.

Eensklaps bedaarde hij, tot de koele, nuchtere werkelijkheid
teruggeroepen. Als lam zakten zijn armen neer en een huivering
doorschudde heel zijn lichaam.

--Pardon, Leontientsje," zuchtte hij met gebroken stem. "Pardon,
g-het gelijk, 'k 'n ben nie wijs geweest. Wilt-e mij pardonneeren en
vergeten? 'K zal veurtaan mijn verstand gebruiken en ou nie mier
lastig vallen; 'k beloof het ou." En met stil-triestige oogen keek
hij haar in den zachten maneschijn weer aan.

Zij glimlachte en stak hem, zonder wrok, de hand ter verzoening toe.

Sprakeloos, hij nog gansch ontroerd en bevend, kwamen zij in huis
terug....

* * * * *

't Was uit. Tante lag diep in de aarde begraven, het geld was
verdeeld en de "tieprie", die, ruim een week te voren, Leontientje
aan het kleine station had afgehaald, stond, met Bruuntje naast het
paard, voor den drempel van het woonhuis klaar om haar, met haar
vader nu, weer weg te brengen.

Het koffertje werd opgeladen, Leontientje's vader,--een voor zijn
leeftijd er bizonder jong en flink uitziende man met frissche kleur
en blonde haren--nam van de ooms en van Cordula afscheid.

--Allons, merci encore, et au revoir, au revoir; et promettez-moi
tous de venir un beau jour a Paris, n'est-ce pas?" zei hij, om de
beurt Coben, Cordula en Belzemien omhelzend.

--Owie, owie, peud-eder," glimlachte Belzemien met fijn knippende
oogjes.

--Ma tante, mon oncle Belzemien, mon oncle Coben, merci bien,
mille fois merci, et a plus tard, n'est-ce pas, a Paris?" herhaalde
ook Leontientje, beurtelings Cordula en haar ooms een laatste maal
omhelzend.

--Owie, owie, owie," stotterden de broers, haast niet in staat het
frissche meisje bij dat laatste afscheid los te laten.

Zij raakten eindelijk in den "tieprie", waar reeds Standje met de
teugels in de hand te wachten zat, en onder nog maar steeds herhaalde
groeten en vaarwel-gewuif, reden zij weg.

Wat was het dood en stil in Standje's hart, zoo dood en stil nu als
op 't vlak eentonig land, dat na de laatste helder-schitterende
zonnedagen, eensklaps grijs en dof en stroef geworden was, onder een
zwaar-bewolkten grijzen hemel! Er scheen geen kleur noch vreugd meer
in de atmosfeer en 't was zelfs kil geworden, alsof de nog maar pas
vervlogen, gure winter, weer in aantocht was. Standje, op 't smal
bankje tusschen Leontientje en haar vader in elkaar gedrongen, zat
te bibberen...

Daar kwamen zij aan 't kleine station, en Standje kreeg het dadelijk
weer druk met Bello, die voor 't gedruisch der treinen en 't getoeter
der seinhorens schichtigde.

--Hou hou, Bello! hou hou, Belleken!" ging het telkens opnieuw, bij
ieder ongewoon geluid dat 't beest deed trippelen. En 't laatste
afscheid, terwijl de trein reeds snuivend aanraasde, gebeurde midden
in een ergerend geharrewar: Standje, de eene hand aan den
teugel, kon nauwelijks met de andere Leontientje omstrengelen, en
zijn adieu-kus, waarvoor zij zelve nu, als 't ware in een plotse
opwelling van goedig medelijden, haar frissche lippen ter
ontfermende ontvangst naar de zijne uitstak, ging scheef, onder een
sarrend en belachelijk "hou, hou, Bello, hou hou!" half op haar
mond, half op haar zachte wang verloren.

't Was uit... en droevig uit... zooals een schoone uitgebloeide
lente!--De trein reed ruischend met haar weg--hou hou, Belleken, hou
hou!--en door de onbedwingbaar-opwellende tranen welke plotseling
zijn blik verduisterden, zag Standje haar een allerlaatste maal, in
haar verrukkelijke jeugd en frissche schoonheid, glimlachend door het
neergelaten raampje met haar zakdoek naar hem toewuiven, wuiven...
wuiven... wuiven... tot het witwapperend doekje een klein, wervelend
stipje werd,... het laatste trilgewiek van een blank vogeltje.... een
wegflonkerend sterretje,... dat eensklaps om een bocht der
spoorbaan, voor altijd aan de bekoring van zijn oog verdween...



OBSESSIES


I.
HET BEZOEK VAN ENGEL GABRIEL OP AARDE.

Verleden week, terwijl ik niet slapen kon, dacht ik eensklaps aan
Soarelke Meule... Ik zag hem voor mij, zooals ik hem in leven gekend
heb: kort, zwaar, scheefgeschouderd, met ingedrongen hals en kromme
beenen; met hoekige, vooruitstekende kinnebak en brutale, groote
oogen, waarvan het eene rond en strak je aankeek, terwijl het ander,
scheel en bloeddoorstriemd, sterk naar buiten afdwaalde...

Het werd al spoedig een obsessie van mijn geest en de herinneringen
Kwamen toegestroomd.

Stille avondwandelingen in den maneschijn, langs eenzame kronkelwegen
tusschen hooge korenvelden; wazig-doorschijnende nachten vol
tintelende sterren, gezang van nachtegalen in de donkere boomen,
bleeke huisjes met gesloten blinden, als in geheimzinnige
bespiegeling verzonken; en ginds, bij den ouden, grijzen molen, die,
met het geraamte van zijn vier gekruiste, naakte wieleen op den berg
te droomen stond, het vaste en gezellig groepje, dat er eiken avond
bij mooi weer tegen den grauwen gevel van het molenhuis gehurkt, naar
de verhalen van Soarelke Meule te luisteren zat.

Wat wist hij veel en wat kon hij eigenaardig en grappig
vertellen!--Kort en gehort kwamen met barre blikken van zijn woeste
oogen, alsof hij aldoor over alles verontwaardigd was, de dikwijls
krasse woorden uit zijn barschen mond gestooten. Doch het was
slechts een schijn-kwaadaardigheid, en de brutaalste en heftigste
beweringen hadden steeds bij hem een ondertoon van leukheid die tot
lachen wekte en waarover hij ook trouwens gaarne medelachte.--Hij
was een ruwe filosoof en voelde helder-sarcastisch het ware en
juiste der dingen. Zijn scherpe geest was vrij van alle
vooroordeelen. Onbewust-natuurlijk, zonder moeite drong hij dadelijk
tot den grond der dingen door.

Vooral de jongelingen uit de buurt schaarden zich gaarne om hem heen
en konden uren lang naar hem zitten luisteren.--Zij zaten daar,
onder den ouden molen, een donker troepje van een acht-of tiental,
vaag-nevelig gehuld in den damp hunner pijpen, waarvan de
brandstipjes soms roodend gloeiden in de duisternis; en zij maakten
Soarelke aan den gang, en praatten met hem mee en lachten, om hem
goed leuk en ondeugend te stemmen.

--Toe, Soarelke, vertel ons nog ne kier 't bezoek van ijngel Gabriel
op oarde! Woar was da euk dat hij hem op de weireld liet vallen? Was
da niet te Poeke, in 't Luizegevecht?

Zij deden of ze 't zich niet goed meer herinnerden om het hem nog
eens te hooren vertellen en Soarelke liet zich vangen en weerlegde.
met zijn ruwe, korte, barsche stem:

--In 't Muizenhol was 't, he 'k ulder gezeid, dwoasheufden die-ge
zijt; in 't Muizenhol, tusschen Vijnck en Oarseele!

--En hoe kwam da, Soarelke! Hoe en wannier es da gebeurd?

--Da was ons Hiere die hem uit den Hemel zond, om e-kier te kijken
hoe dat 't hier op de weireld gijnk," orakelde Soarelke.

--Joa moar, hoe? Ala, toe, Soarelke, vertelt-e-kier.

En Soarelke, moegeplaagd, klopte zijn pijpje uit, kuchte eens,
bromde wat en vertelde eindelijk, met zijn kort-hakkende, bruuske
stem:

"Ons Hiere zat op zijnen treun in den Hemel mee den ijngel Gabriel
aan zijn voeten. Den ijngel zat op den ondersten trap te sloapen,
mee zijn vleeren toe.

"Gabriel, zegt ons Hier azeu al mee ne kier tegen hem, 't dijnke
mij dat-e gij hier nie veel uit 'n voert, e-woar, jongen?

De ijngel wor wakker en schudt zijn vleeren:

"Wat es er ten ouen dienst, ons Hiere?" vroagt hij.

"Weet-e wat dat-e gij doet, jongen, zegt ons Hiere: Trek ne kier ou
beste geiwene vleeren aan en lont ou op de weireld zijnken om te zien
wat dat er ginter gebeurt. K'en he doar in doanig lank nie mier van
g'heurd en 't 'n zoe mij nie verwonderen da ze mij doar 'n beetse
begonnen te vergeten. Ge moet er mee 't volk wa klappen en
informeeren of er nog almets van mij gesproken wordt."

Goed.--Zeu gezeid, zeu gedoan. Den ijngel Gabriel trekt zijn beste
geiwene vleeren aan, ons Hiere zendt hem 'n wolke, hij schiet er hem
op en hij kom neer op d'eirde, tusschen Vijnck en Oarseele, aan
't Muizenhol!

--Aan 't Muizenhol! Es 't woarachtig aan 't Muizenhol dat hij neere
gevallen es, Soarelke? giechelen de jonge kerels.

--Aan 't Muizenhol! Zeu woar of da 'k hier zitte, en op 'n wolke!
Moar zwijg ne kier en loat mij veurt vertellen.

--Goed. Hij loat hem dus neere zijnken aan 't Muizenhol en valt er
te midden in de kirmesse. 't Was doar 'n leute, en 'n lachen en
zijngen, en 'n eten en drijnken, en 'n dansen en sprijngen mee
't jonk vreiwevolk! en den ijngel Gabriel, die da nog noeit van zijn
leven nie gezien 'n ha en hem heule doagen aan de voeten van ons
Hiere zat t'embeteeren, begint euk van plezier te lachen en te
sprijngen, en hij danst mij doar verdeeke in de ronde mee, mee zijn
geiwene vleeren aan!

--Mee zijn geiwene vleeren aan! Es 't oprech woar, Soarelke?

--Mee zijn geiwene vleeren aan! En te midden van 't jonk
Vreiwevolk...! Moar,... 't begost oavend te worden, en ons Hiere,
die kwoad wierd omda zijnen ijngel te lang wigbleef, zond hem ne
weerlucht uit den Hemel, dat hij seffens weere moest noar boven
komen.

--En Gabriel wig, zille! de lucht in!--Sente-Pieter stond al uit te
kijken. mee zijn sleuters in d'hand, geried om den Hemel te sluiten.
"'K peize da ge zil wel gekomen zijn, keirel; woar he-je gij zeu lank
gezeten?" vroag Sente-Pieter hem in 't binnenvliegen. Moar den
ijngel 'n hoa zelfs gienen tijd om t' antwoorden hij schiet hem
rechte noar den treun van onzen lieven Hiere, die nog altijd van
colere zat te weerluchten, en hij loat hem veur de trappen op zijn
kniens vallen en zegt:

"Pardon, lieven Hiere. 'K 'n wiste niet dat 't al zeu loate was!"

"'K geleuve da g'ou ginter geamezeerd het!" zegt onze lieven Hiere,
die eindelijk uitschiedt van weerluchten, als hij zijnen ijngel
ziet.

"Joa ik, lieven Hiere, 'k he mij doar oprecht goe geamezeerd: 'k zoe
liegen als ik anders sprak," zegt den ijngel Gabriel.

"En woarmee? Wa was er doar nou zeu amezant?" vroagt onze lieven
Hiere, die d'r nog altijd 'n beetse vies-gezind uitzag.

"Ooo, doar 'n he'je gij gien gedacht van, lieven Hiere!" zegt den
ijngel Gabriel. "'K he mij loaten neere valle tusschen Vijnck en
Oarseele, aan 't Muizenhol, en 't 'n he mij niet gespeten, zille!'t
Was doar kirmesse, en plezier en dansen, en eten en drijnken, en
sprijngen en leute moaken mee 't jonk vreiwevolk, enfin, de
gelukkigste meinschen die ge peinzen keunt."

"En vroegen ze noar mij niet? Wierd er van mij doar nie geklapt?"
vroeg onze lieven Hiere.

"Giene meinsch die van ou gesproken het, lieven Hiere," zei ijngel
Gabriel. "'T 'n wierd het doar van nie anders geklapt of van de
leute. Ala ge 'n keun nie geleuven hoe kontent en hoe gelukkig dat
die meinschen ginter zijn!"

Onze lieven Hiere 'n zei gien woord mier. 't Dacht den ijngel
Gabriel dat hij stijf kwoad zat. Hij begost nog ne kier of twiee te
weerluchten en te donderen. Toens deed hij den ijngel Gabriel tieken dat
hij moest zijn ander vleeren aan doen, goan eten en goan sloapen.

* * * * *

--Goed!--'n Week of viere doarnoar zat den ijngel Gabriel weere
mee zijn vleeren toe aan de voeten van onze lieven Hiere zijnen
treun te sloapen. Ons Hiere moakt hem wakker.

"Jongen, zegt hij, doe ou geiwene vleeren aan, schiet ou nog ne kier
op d'eirde en kom mij zeggen wat dat er ginter nou gebeurt. En deze
kier 'n moet ou nie hoasten, zille. Informeer moar goed en blijf zeu
lange wig of dat 't neudig es.

Den ijngel trekt zijn beste vleeren aan, onze lieven Hiere zendt hem
'n wolke en hij komt er mee op d'eirde, aan 't Muizenhol!

--Nog ne kier aan 't Muizenhol, Soarelke?

--Nog ne kier aan 't Muizenhol, op 'n wolke!--Goed.--Den ijngel
kijkt rond, moar hij 'n zie niemand. Hij goat in d'hirbirge woar dat
hij de kier te veuren mee 't jonk vreiwevolk gesprongen en gedanst
ha; moar,... in ploatse van meziek en dans, 'n heurt hij nie anders
of schriemen en kloagen. Hij goa wig, komt in 'n ander hirbirge, goa
noar 'n boerenhof, in wirkmanshuizekes, moar,... woar dat hij euk
komt, overal, in ploatse van lachen, en dansen, en drijnken, es
't zuchten en kloagen en schriemen! De meinschen komen van alle
kanten noar hem toegeleupen en ze smieken en vallen op ulder kniens
veur hem, en dat hij toch dit bij ons Hiere zoe doen, en dat hij toch
dat aan ons Hiere zoe vroagen; enfin, doar 'n was gien beetse plezier
mier op de weireld; en d'ieste wolke die veurbij drijft schiet er hij
hem boven op en komt er weere mee in den Hemel.

"Kijk, kijk, kijk! ge zijt doar zeu geiwe weere! Het ou van deze
kier nie g'amezeerd. dan?" vroagt Sente-Pieter, die al grittende mee
zijn sleuters aan de peurte stoat.

"Nien ik, zille," zegt den ijngel; en mee zijn vleeren toe trekt hij
al druipsteirtende noar den treun van onze lieven Hiere.

"Ha, jongen, g'het opgepast van deze kier," zegt onze lieven Hiere.
"Hewel hoe es 't ginter nou? Wordt er nog altijd van mij nie
geklapt?"

"Joa 't, zille, lieven Hiere, 't wor zeker van ou geklapt! Ze 'n
klappen van nie anders mier," zegt al zuchtende den ijngel Gabriel.
"'t Es stanvastig: "Och Hier! alhier" en "och Hier! aldoar!" En
zuchten en schriemen en kloagen! en nievers gien beetste leute mier!
't Regent heule godsche doagen op de weireld, 't es er koud en
donker; de boeren hen de koeploag in ulder stallen, ulderen oest es
verhoageld en ulder eirdappels zijn aan 't vurten! Z' onsteken
kissen veur ou en ze doen beevoarten en ze zitten van den uchtijnk
tot den oavend in uldere kirkeboek te lezen! Enfin, 't es droevig om
t'heuren en te zien! 'K ben d'r van wiggeleupen!..."

Onze lieven Hiere zat 'n momentsje te peizen, mee zijn sluinkerhand
aan zijn veurheufd en zijn rechterhand aan zijn langen grijzen
board.

"'t Es goed," zei hij eindelijk, "'k geleuve da ze genoeg gestraft
zijn en da ze mij nou zeu lichte nie mier 'n zille vergeten.--Weet-e
wat dat-e gij doet, jongen: Goa zeg gij aan den heiligen Antonius dat
hij de wolken wigjoagt en dat hij weere de zonne doe blijnken."

* * * * *

Gedempt gelach steeg op uit 't donker, neergehurkt groepje langs den
gevel van het molenhuis, en even glommen schel de gloeistipjes der
pijpen, alsof zij ook wel in de leuke vroolijkheid
mededeelden.--Omheen was 't wonderzacht en stil en in den
somberblauwen hemelkoepel flonkerden al de schoone, gouden sterren.
Het was een nacht vol stemming en vol wijding. Geluidloos fladderden
de grauwe vledermuizen heen en weer en onbewegelijk stond daar de
verweerde houten molen in vage zilverschemering op zijn berg te
droomen. Eentonig en aanhoudend kriepte ergens in het gras een
krekel. Op een verre hoeve blafte hol een waakhond en uit den
onzichtbaren kerktoren galmden melancholisch-langzaam tien heldere
slagen. Onmiddellijk daarop luidde de nachtrust in en de kerktorens
der omliggende dorpen antwoordden, van verre en van nabij, elk met
hun eigen klank en rythme, die waren als de diepe stemmen van hun
innigst zieleleven. Toen droomde weer de heilige stilte onder het
twinkelend geflonker der miljoenen sterren, en iemand uit het donker
groepje taalde:

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. knowncrafts.net. All rights reserved.