A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | U | V | W | Z

New Philadelphia Book Publisher Highlights Local Talent
Book and Publishing News from Publishers Newswire(tm)

Looking for Child to be on Cover of a New Book, 'The Model Child'
PHILADELPHIA, Pa. -- The Philadelphia literary world will celebrate the launch of two new players today, April 10th: Kay Square Press, a new publishing company focused on Philadelphia-area artists, their stories, and their art; and Kay Square's first release, 'With the Rich and Mighty: Emlen Etting of Philadelphia' (ISBN: 978-0-9815129-0-7), a critical biography by Kenneth C. Kaleta.

FlatSigned Press Alleges Don Imus Remarks Damage Legacy of President Gerald R. Ford
NEW YORK, N.Y. -- Nathan Yungerberg, an accomplished model scout and professional child photographer is launching a nation-wide casting call to find the cover model for his highly anticipated book release, 'The Model Child: A Parents Guide to the Child Modeling Industry' (ISBN: 978-0-9817018-0-6).


Book: Lente

C >> Cyriel Buysse >> Lente

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



--Toe, Soarelke, nog 'n vertellingsken. 't Es toch te scheun weer om
noar bedde te goan.

En Soarelke, na eventjes gekucht en wat gebromd te hebben, klopte de
asch uit zijn pijpje, en begon met een ander verhaal...



II.
HET HONDJE.

De sluitboomen worden dwars over den weg bij 't kleine station
gesloten. Een trein komt aan. Ik stap van mijn rijwiel en blijf even
wachten.

Het stationsgebouwtje is van rooden steen met witte randjes. Het is
lang en vrij laag, plat neergehurkt als 't ware naast het dubbele
railspoor. Aan beide uiteinden, dichtbij het bruin omheiningshek,
schitteren twee miniatuurbloementuintjes.

Links van den steenweg, bij den sluitboom, staat een herbergje.
Rechts van den steenweg, bij den sluitboom, staat een tweede
herbergje. En, aan de overzijde van de spoorlijn, die den weg
doorkruist staan, rechts en links, dichtbij den sluitboom, nog twee
herbergjes.

't Is alles. Geen andere gebouwen in die eenzaamheid. Alom de stille,
groene of bruine herfstvelden; en, in 't verschiet, de rood-en
goud-getinte hooge boomenkruinen, waaruit de fijne, grijze naald van
het dorpstorentje opschiet.

Daar komt de trein.--Slechts enkele reizigers staan wachtend op
't perron, en de chef, met zijn rood petje op, komt buiten. Ook op
den drempel van een der herbergjes dicht bij de sluitboomen komt een
vrouw even kijken, vergezeld van een klein zwart hondje, dat op drie
pooten loopt. Eerst denk ik dat het zijn vierde pootje ingetrokken
houdt, zooals hondjes wel doen; doch neen, het heeft er slechts
drie. Het vierde is niets dan een korte, zwarte stomp.

Dit schijnt het beestje trouwens niet erg in zijn bewegingen te
belemmeren. Het dartelt vlug en wakker rond, hoewel hinkend, en
zoekt en snuffelt, et tilt ook af en toe het stompje op, bij heg of
boom.

Knarsend op zijn remmen heeft de trein voor het stationsgebouw stil
gehouden. Reizigers stijgen in, andere stappen uit, een fluitje gilt
en het gevaarte rijdt verder, terwijl de sluitboomen weer worden
opgehaald.

Langzaam schrijd ik over de rails, kijk den wegstoomenden trein nog
even na, stijg op mijn rijwiel en begin te trappen.--Maar,... het
lijkt wel of ik niet vooruit kan! Mijn voeten bewegen heel langzaam
en mijn geest, strak in zichzelf gekeerd, is halsstarrig met iets
bezig,... ja, met dat hondje, dat klein, zwart hondje daar,
scheef-huppelend op drie pootjes, bij 't klein herbergje.

Hoe zou het aan dat ongeluk gekomen zijn?... Afgeslagen? Afgereden?
Onder den trein, misschien? O!... daar begint alweer de
obsessie!--Nog langzamer bewegen de trappers; ik houd stil; ik stap
af. Wat is dat weer kinderachtig-onnoozel en flauw, die obsessie!
Wat kan het mij toch schelen hoe of dat hondje zijn vierden poot
verloren heeft? En hoe en waarom zal ik daar ook naar informeeren?
En wat zal die vrouw van 't herbergje van mij wel denken, als ik
daarvoor terugkom?--Maar,... er is niets aan te doen, anders ben ik
er weer den heelen dag mee bezig. Ik keer mij om, en, half boos en
half beschaamd over mijzelf, rijd ik terug, recht naar het
herbergje.

De glazen portaaldeur staat er nog open, maar,... geen mensch in het
schemerig, ongezellig gelagkamertje...

--Es 'r iemand? roep ik, meteen op de schenktafel kloppend.

Door een tochtende, half openstaande achterdeur, komt op zijn drie
pootjes naar mij toegehinkt... het hondje.

--Ha, Moortje, zeg ik. En ik wenk het bij mij en klop het streelend
over zijn glad-glanzend rugje, en bevoel even zijn stompepootje.

Het hondje schijnt dat niets naar te vinden.

Het strijkt de spitse oortjes in zijn hals, en wringt en kronkelt
zich, en strekt het stompje naar mij uit, terwijl het mij snugger
aankijkt, met zijn heldere, wakkere, bruine oogjes.

Daar komt de vrouw.

--'n Pijntsje bier, bezinne.

Het glas wordt mij gebracht.

--Scheun weer, e-woar, meniere?

--Joa 't doanig scheun weere.

Ik proef even van 't bier, dat akelijk zuur smaakt, en weet niets
meer te zeggen. Mijn blik verlaat geen seconde het hondje.

--Da es 'n keirelken, e-woar, meniere? zegt de vrouw, mijn aandacht
merkend.--Spijtig dat 't zijn peutsen afgereen es!

Ha! daar is de aanleiding!

--Hoe es da gekomen? haast ik mij te vragen.

--Onder 't konveui gezeten, meniere. Da es nou al onzen derden die
kapot gereen wordt. De twie ieste woaren in moes. Den dezen is
gelukkig nog mee drei peuten noar huis gekomen. Moar ge'n keen nie
geleuven, meniere, wat dat er hier al deur die treins kapot gereen
wordt! Kiekens, honden, katten, en onlangs nog da schrikkelijk ongeluk
mee die twie wirkmeinschen! G' het doar toch van g'heurd, meniere? En
de vrouw, die razend praatziek blijkt te zijn, vertelde mij een
akelige en ingewikkelde geschiedenis van twee arbeiders, die, op een
vroegen mistochtend, door den trein aan stukken werden geslingerd.

't Is vreemd: het raakt me niet. Ik luister nauwelijks en de
afschuwelijkheid van de gebeurtenis dringt niet tot mij door. Ik
denk alleen aan het verminkte hondje en aan 't gevaar dat al die
kleine hondjes bij die groote treinen loopen.--Nu weet ik het, en
wat de praterige vrouw mij verder ook vertelt, boezemt mij geen
belangstelling meer in.

Ik neem mijn rijwiel en vlieg heen.--Maar nu, (en dat is mijn
voortdurende, onnoozele obsessie en als 't ware mijn straf) nu kan ik
nergens meer een eenzaam stationsgebouwtje zien, met bloempjes aan
den zijkant en een weg die kruist over de rails, of daar komt
onvermijdelijk in mijn geest een klein, zwart hondje op drie pootjes
bij gehinkt; een hondje dat mij eigenwijs en snugger aankijkt, en,
met zijn stompje wringend, even snuffelend bij een boomstam of een
heg gaat staan en dan weer in het schemerig herbergje verdwijnt, waar
de fatale kracht van de verbeelding mij telkens weer dwingt het bij
de praterige vrouw te volgen.



III.
HET SLECHT VIJFFRANKSTUK.

Theofielke Schandevel en Deeske Wildeborst waren twee oude,
onafscheidbare vrienden. Theofielke diende als knecht bij een
molenaar en Deeske als knecht bij een boer. Zij waren ongeveer van
gelijken leeftijd--een jaar of veertig--maar zeer verschillend van
uiterlijk.

Theofielke was lang en mager, met uitgeholde borstkas, met hooge,
beenderige schouders, schrale, stokkerige beenen en slungelige,
doorzakkende knieen. Deeske was kort, gezet, fiksrecht, met een naar
voren puntend buikje en een dik, rond speknekje. Alle twee droegen
een vollen, bruinen baard: die van Theofielke was hard en rasperig,
die van Deeske zacht en kroezend. Theofielke zag ietwat bleek van
gelaatskleur. Deeske frisch-rozekleurig.

Beiden moeten zij de gansche week hard werken: Theofielke
wit-bestoven van het meel als een groote, bleeke meikever; Deeske
grauw en vuil, met gore kleeren, als een echte aardewroeter.

Van op zijn molen, tusschen de snorrende raderen, ontwaarde
Theofielke in 't verschiet, half verborgen in het loover van den
boomgaard, de spitse, grijze stroodaken der boerderij waar Deeske
werkte. Van op zijn akkerland, waar hij ploeg en paarden mende, zag
Deeske in de verte het drukke wentelen van de molenwieken, die hem
soms grappig voorkwamen als Theofielke's eigen lange, slungelige
armen, waarmede hij zijn zondagsvriend naar zich scheen toe te
wenken.

Zoo voelden zij elkaar slechts van heel verre, gedurende de gansche,
lange, zware arbeidsweek. Maar 's zondags, dadelijk na de vroegmis,
troffen zij elkander, onder 't drinken van het eerste borreltje, in
't herbergje vlak naast de kerk "Den Dubbelen Arend" aan; en van dat
oogenblik verlieten zij elkaar niet meer, den heelen dag.

Alle twee zaten zij sinds jaren dik in schulden. Er was bijna geen
herberg in het dorp waar zij niet debet stonden en waar zij, zonder
contant geld, nog drank konden bekomen. Ook bij hun respectieve
bazen waren zij maanden ver in voorschot en kregen zij slechts
iedere week een frank, waarmede zij den zondag moesten zien door te
brengen.

Een frank! Slechts tien "dreupelkes" jenever of tien "pijntsjes"
bier, en toch altijd zulken grooten dorst! Soms was 't al voor den
middag op, en dan zaten ze daar zoo ongelukkig bij het laatste leege
glaasje, wel eens uren lang geduldig wachtend op de mogelijke komst
van een of andere goede ziel, die misschien nog eens trakteeren zou.
Gelukte dat niet, dan bleven ze toch maar zitten, omdat ze anders
niet wisten wat uit te voeren en dat de dag, buiten de herberg om,
toch zoo vervelend en ellendig lang was.

* * * * *

Eens op een vroegen zondag-ochtend, kwam Theofielke's baas met een
vriendelijk gestemd gezicht naar hem toe. Er was hard gewerkt, de
gansche week en de baas, over Theofielke tevreden, wilde hem nu
eens een extra-belooning geven. Tusschen zijn vingers hield hij een
vijffrankstuk, dat hij even aan Theofielke liet zien; en hij zei:

"Kijk, Theofiel, omda ge van dees weeke goe gewerkt het. en
niettegenstoande da ge mij nog veele schuldig zijt, goa 'k ou ne
cadeau doen. Hier es 'n vijffrankstuk da 'k al weken lank in mijn
bezit he zonder da 'k het kwijt kan geroaken. 't Es goed en zuiver
zelver, moar 't es van 'n vremd land woarvan dat de stikken hier nie
geldig 'n zijn. Niemand 'n wil het aanveirden. Ge meug het hen. Doet
er mee wat ge wilt en neemt er veuren da ge krijgen keunt."

En hij gaf het stuk aan Theofielke.

* * * * *

Theofielke, in gedachten verzonken, stond het stuk langdurig te
Bekijken...

Het was een mooi, blinkend stuk, net zoo mooi en zelfs mooier als
veel andere; en Theofielke schudde 't hoofd en vroeg zich af waarom
nu juist dat stuk niet deugen zou, terwijl toch al die andere, die
immers ook maar zilver waren, wel deugden. Hij woog het in zijn hand
en keerde 't om; hij zag aan de eene zij, het afbeeldsel van een
gehelmde vrouw die hem bizonder schoon leek, en aan de ommezij een
hoorn, waaruit ook nog een heele overvloed van soortgelijke schoone
stukken scheen te stroomen. Het leek hem grievend-onrechtvaardig dat
dat alles niets-beteekenend en waardeloos zou wezen; en plotseling
ontstond in hem een plan, dat hem van innige pret deed glimlachen,
terwijl hij haastig 't glinsterende, groote stuk in een binnenzak
verborg.

Anderhalf uur later, na afloop van de eerste mis, zat hij, met
Deeske Wildeborst in den "Dubbelen Arend", onder 't gebruikelijk
genieten van het eerste borreltje, geheimzinnig en gewichtig te
beraadslagen.

Deeske was het oogenblikkelijk met hem eens: dat mooie stuk moest en
zou hun een langen, vollen dag van pret en uitspanning bezorgen.
Doch zij mochten er niet mee beginnen op het dorp, waar zij te zeer
berucht waren. Zij moesten 't gaan beproeven in een van de
omliggende gemeenten, waar men hen nog zoo goed niet kende.

Met leuke pret-oogen dronken zij hun borrels leeg, bestelden er
twee versche; en, met het overige van den gewonen zondagschen frank,
die nu wel aan een stuk op mocht, kochten zij sigaren. Een sigaar,
in plaats van een pijp, dat stond goed en wekte vertrouwen, meende
Deeske.

Toen trokken zij er op los.

* * * * *

Het was een frissche, droge, heldere, windige herfst-morgen. Zij
stapten ijverig door, Deeske fiksrecht, met hooggekleurde, bolle
wangetjes en vlugge, kleine pasjes, in een gelijkmatige,
kort-gekadanseerde slingering van zijn twee korte armpjes, alsof hij
zonder eenige inspanning over een volkomen effen pad voortschoof;
Theofielke daarentegen slof en slungelig, met scheef-rekkende
schouders en sleepstruikelende, ongelijke schreden, alsof hij
telkens weer door waden en door plassen heen moest stappen. De gele
bladeren stoven dwarrelend uit de boomenkruinen, en de landouwen
lagen kaal en kil, met hier en daar slechts, tusschen de bruine,
omgeploegde akkers, de fel-groene., malsche tintelvlekken van het
jouge rapenloof. Droef krasten benden omzwervende kraaien; en, langs
den eenzamen steenweg dien zij thans volgden, ontmoetten de twee
vrienden enkel nu en dan een op zijn zondags-best gekleeden boer,
die pijprookend naar zijn hofstede terugging, of een boerin met
bonte bloem-en-linten-muts en klapperenden, zwarten mantel, die,
worstelend tegen den fellen wind, zich haastte om nog de tweede mis
te halen. Reeds, in 't verschiet, vertoonde 't dorpje, waar zij heen
gingen, zijn spits kerktorentje boven de toppen van de verre boomen;
en daar zij, bij een kruisweg, vlak langs een herbergje voorbij
moesten, werd de verzoeking hun te sterk, en, na een korte, even
aarzelende beraadslaging, trokken zij er binnen.

Zij waren daar in zoover op gunstig terrein, dat zij er wel geen
drank zouden gekregen hebben zonder eerst hun centen te vertoonen,
maar althans niet vreezen moesten er wegens achterstallige schuld te
worden uitgescholden. Er was trouwens geen enkele klant in het
kleine gelagkamertje; alleen de herbergierster, die achter haar
schenktafel glazen stond om te spoelen.

--Twie dreupels, vreiwken, bestelde Theofielke, met een gewichtig
air aan een tafeltje naast Deeske plaats nemend.

De vrouw, een half-afgedroogd bierglas roerloos in de hand, keek hem
even vaag wantrouwend aan.

--Twie dreupels, herhaalde zij langzaam, met matte twijfelstem, als
om zich den tijd tot nadenken te gunnen... Maar Theofielke haalde
met een los gebaar het vijffrankstuk uit zijn binnenzak te
voorschijn en liet het royaal over het tafeltje klinken: en dadelijk
spoedde de vrouw zich met haar jeneverflesch naar den kelder. Deeske
stak een versche sigaar op en trok een oolijk oogje naar Theofielke,
die in dien tusschentijd het stuk al gauw weer weggemoffeld had.

--Santus! zei de vrouw uit den kelder bovenkomend en hun de glaasjes
op een presenteerblad toereikend. En eensklaps gul en vriendelijk
gestemd, begon zij een praatje over 't weer.

De beide vrienden antwoordden niet veel. Zij genoten van hun
sigaartje en hun borreltje; en, toen het uit was, bestelden zij er
nog een. Deeske's bolle wangetjes begonnen te glimmen, zijn oogen
glinsterden heel leuk en innig, vol korte, kleine vlammetjes, alsof
er, diep in hem, iets heel bizonder prettigs omging; en ook
Theofielke's doorgaans bleeke, grauwachtige gelaatskleur,
verlevendigde zich met een frissche, roze, warme tint. Die
borreltjes smaakten dan ook zoo heerlijk lekker in de kouwe
vroegte, dat zij, na het tweede, elkaar eens even ondervragend
aankeken, en er waarachtig nog eentje bestelden.

Toen nam Theofielke met een kalm, ernstig gebaar, het stuk weer uit
zijn zak, en legde 't op de tafel.

--As 't ou blieft, vreiwken. Keunt-e mij weere geven?

De vrouw kwam dadelijk naar hem toe, de rechterhand onder haar
schort, al vast klein geld puttend. Zij haalde er 'n heel greepje te
voorschijn en met haar linkerhand nam zij 't vijffrankstuk op, en
bekeek het even. Deeske en Theofielke staarden onverschillig door het
raampje naar buiten, den kronkeligen landweg in.

--Ha joa moar, verdeeke! da stik 'n deug niet! hoorden zij de vrouw
met ontstelde stem eensklaps zeggen.
--Watte! riep Theofielke, zich verbaasd omkeerend.

--Ha ba nien 't verdeeke! herhaalde de vrouw met nadruk.--Kijk ne
kier hier! En zij ging naar een groot plakkaat, dat aan den muur
hing, en waar al de vijffrankstukken,--de gangbare en de niet
gangbare--zooals bijna in iedere landelijke herberg, op afgebeeld
stonden.

Deeske en Theofielke richtten zich op en kwamen naast haar staan.

--Joa moar, kijk ne.kier goed, dat 'n es toch nie meugelijk!
verzekerde Theofielke.

--Joa, toetoet, kijk, hier zie, hier zie! riep driftig de vrouw, met
haar vinger op een van de afgebeelde stukken wijzend. Zie-ie wel,
't es percies 't zelfde en 't stoa onder de slechte, mee die kop van
veuren en mee dien heurn langs achter. Nim nim, 'k 'n wil 't niet; ge
moet mij ander geld geen! En zij gaf het stuk terug aan Theofielke,
die het kalm weer in zijn zak stopte.

--Ha, sakerdeeke! En 'k he 't gisteren in de post ontvangen!
beweerde hij enkel.

--Tuttuttut, 'k 'n he doar amoal niets mee te moaken! Betoal mij mee
ander geld, zeg ik ou! antwoordde de vrouw korzelig wordend.

--Ha, nondedomme! kreet Theofielke, zich ook eensklaps boos
veinzend. 'K zeg ou dat 't goed es!

--En 'k zegge 'k ik ou dat 't slecht es en da ge mij moet ander geld
geen! gilde de vrouw.

--We 'n hen gien ander! bekende Theofielke.

De vrouw stond even als verslagen.

--O! gie sloebers! O, gie bedriegers! begon zij eensklaps, wit van
woede, te krijschen.--Ala! hier buiten! En van den achternoene zend
ik mijne man noar de sandurms! O! dat hij nou moar thuis 'n woare!
Gie sloebers! Gie leulijke sloebers, die ge zijt!

* * * * *

Heel leuk en kalm stapten Deeske en Theofielke door het glazen
portaaltje naar buiten en zetten hun weg verder voort.

--Hawel! wat dijnkt ou? Zoen we leute hen vandoage! lachte
Theofielke.

Deeske, de koontjes vurig-rood en de kleine oogjes oolijk
schitterend, moest het van dolle pret even uitschateren. Of ze leute
zouden hebben met dat valsche stuk! En proestend trok hij Theofielke
mee, en weer liepen zij gezellig naast elkaar, de een met zijn
kleine, korte, fiksche pasjes, de ander met zijn lange,
loomtrekkende slungelbeenen, naar het naburig dorp.

Daar, bij den ingang, waar ze even, rechts en links, bij twee kleine
boompjes, stilhielden, hadden zij nog eens een korte beraadslaging.

--We 'n meugen nie al te ziere drijnken; we zoen te gauwe zat
worden, meende Deeske.

Theofielke, die al tamelijk aangeschoten was, vond dat ze maar door
moesten drinken, zoo lang en zoo veel zij konden. Het zou van zelf
wel ophouden als ze genoeg hadden, en wie weet wanneer ze nog eens
zulk een kansje kregen! Morgen-ochtend vroeg begon alweer de lange,
saaie arbeidsweek. En ongegeneerd stapten zij maar binnen in den
_Groenen Jager_ en bestelden nogmaals elk een borretje, terwijl
Theofielke eventjes 't vijffrankstuk over de schenktafel liet
rinkelen.

Toen het op betalen aankwam, gaf de baas onmiddellijk het stuk aan
Theofielke terug.

--Nie goed, zei hij. En toen ook hier Theofielke, de diepste
verwondering veinzende, beweerde dat hij 't stuk in 't postkantoor
ontvangen had en dus zelf bedrogen was geweest, maakte de man zich
geenszins boos en haalde slechts zijn schouders op voor het geval,
tevreden met de belofte, dat zij hem nog in den loop der week het
verschuldigde zouden komen brengen, zoodra zij 't slechte stuk bij den
postmeester tegen een ander hadden ingeruild.

Zoo liepen zij, steeds met het zelfde stuk dat niemand wilde,
ongeveer een tiental herbergen af. Zij deden als gewone, kalme,
welgestelde dorpsburgers of boeren, hielden een praatje met de
menschen, speelden een partijtje met de dobbelsteenen of de kaarten,
en slechts een af en toe hevig opstormende roes van bijna
uitbarstende jool en wassende dronkenschap maakte 't hun lastig om er
eenigszins hun ernst en fatsoen bij te behouden. In alle plaatsen
werden zij, bij 't eerste klinken van het mooie zilverstuk,
onmiddellijk bediend, maar hier en daar toch hadden soms, bij het
afrekenen, ondanks hun krasse brutaliteit, minder aangename scenes
plaats en wel het ergst in de afspanning: het _Vliegende Paard_, waar
zij op vertrouwen van het mooie stuk ook flink gegeten hadden. Er was
daar iets van drie en half frank te betalen; de baas schold en
vloekte geweldig; en daar zij, meer en meer brutaal geworden door het
aanhoudend welslagen van hun schurkenstreek en aangehitst ook door
den drank, uitdagend tegenstribbelden en lawaaiden, werden zij
plotseling, door man en vrouw en knecht, met een pak slaag op straat
gegooid.

Theofielke, woedend, wilde weer de herberg binnen om den boel kapot
te slaan, maar Deeske, die zich wel 't gevaar bewust werd, en nog
andere plannen in het hoofd had, hield hem kalmpjes sussend tegen en
kreeg hem eindelijk, niet zonder moeite, met zich mee.

Het werd dan ook hoog tijd. De dorpelingen, door den baas uit het
_Vliegende Paard_ opgeruid, kregen het spelletje in de gaten en
begonnen dreigend saam te troepen en te jouwen; en 't lukte nog maar
heel precies dat de twee vrienden, met invallende schemering, zonder
ergere ongevallen uit het vreemde dorp ontkwamen.

--Einde goed, alles goed! orakelde Deeske, toen zij ten slotte, na
een poosje geducht door stappen, veilig in het open veld kwamen.
--Moar nou opgepast! 't fijnste moe nog komen!

Nu zij stevig gegeten hadden, was de wild-opstormende roes van
dronkenschap goed onderdrukt en was het hun ook mogelijk kalmpjes te
redeneeren hoe ze den leuken dag prettig zouden eindigen.

--Loat ons bij Veel-Hoar goan en de diee mag 't vijffrankstik houen,
stelde Deeske voor.

Ietwat onthutst keek Theofielke op.

--Bij Veel-Hoar! Om wat te doene? vroeg hij eindelijk.

--Ha! da es euk 'n goeie! lachte Deeske. Woarveuren goan de
knechtejongens bij VeelHoar?

Theofielke begreep en een glimlach van verrukte jool kwam op zijn
slungelige tronie.

--Verdeeke, joa w'! riep hij. En elk zijnen toer! Ala, seffens lotse
trekken, en wie 't langst het iest?

Hij boog zich naar den grond, raapte twee ongelijke takjes op,
frommelde ze wat door elkaar, hield ze in zijn gesloten vuist, Deeske
voor.

Maar hij had het heel onhandig gedaan; Deeske merkte al dadelijk
waar 't langste stak, en, na een schim van weifeling, welk van beide
hij wel trekken zou, haalde hij, met een snel rukje, het goede te
voorschijn.

--O, gien deugniet! 'k Geleuve da ge 't gezien hadt! riep Theofielke
achterdochtig.

--Gien kwestie van! loog vrijpostig Deeske.

Veel-Hoar, aldus bijgenaamd om haar weelderigen, zwarten haarbos en
haar dikke, donkere wenkbrauwen, was alom in 't dorp en in
't omliggende bekend als de zeer toegankelijke troosteres van het
mannelijk lijden. 't Ging heel eenvoudig en 't tarief was billijk;
men kwam in 't kroegje waar ze met haar moeder woonde, men trakteerde
wat, men profiteerde van het oogenblik waarop de oude eventjes den
rug gekeerd had om te vragen: "Euphrasie, (dat was haar voornaam)
Euphrasie, zoe 'k ou nie ne kier keune spreken?"... en dadelijk werd
men, zonder overbodige uitleggingen, langs een gangetje door
Veel-Hoar in een achterkamertje gebracht, waar gelegenheid was om
het zaakje verder af te handelen. Men bleef niet te lang, vooral niet
's zondags wanneer Veel-Hoar het druk had; men betaalde een frank,
twee frank, zoowat naar vermogen; Veel-Hoar liet je door een
achterdeurtje en een tuintje buiten en verder was geen haan die er
naar kraaide. De beide vrienden waren lange jaren trouwe klanten van
Veel-Hoar geweest, maar ongelukkiglijk hadden zij ook dit artikel
niet altijd contant kunnen betalen, en sinds maanden werd het pretje
hun beslist geweigerd. Nu echter hadden zij weer eens een prachtige
kans, die zij niet mochten laten ontsnappen.

Na een tamelijk langen omweg, ten einde het landelijk herbergje te
vermijden, waar zij 's ochtends voor het eerst de werking van het
stuk beproefd hadden en waar nu wel eenigszins gevaar voor hen kon
schuilen, kwamen zij weer in hun dorpje aan. Intusschen was het
donker-avond geworden en de lantarens brandden in de eenzame
straten.

Het krotje van Veel-Hoar stond wat ten uitkante, vlak naast een
boerderijtje, waarvan de door een heg omsloten boomgaard op den
straatkant uitkwam. Dicht bij die heg, in de zwarte schaduw der
overhangende boomkruinen, hielden zij zich, onzichtbaar voor de
schaarsche voorbijgangers, een poosje wachtend en luisterend
gedoken.

Geen beweging noch geluid in het aangrenzend kroegje. Alles bleef
doodstil. Het oogenblik was gunstig.

Deeske echoof even naar het raampje toe, reikhalsde, trachtte te
kijken door een spleet van het gordijntje.

--Kom, loat het ons moar reschieren, fluisterde hij tot Theofielke.

En vastberaden openden zij het laag portaaldeurtje en traden
binnen.

--Elk ne goen oavend...

Een korte stilte van teleurstelling. Links van de deur, in den hoek,
bij een tafeltje, zat toch een kerel, een gluiperige boerekinkel,
dien Deeske van buiten door de spleet van het gordijntje niet had
kunnen zien. Veel-Hoar, forsch en zwart, met langen neus en
rood-gevlamde koonen, stond fiks rechtop achter de schenktafel,
bezig met glazen omspoelen, en bij de klok zat op een stoel de oude
moeder, suffigduttend in elkaar gezakt.

--Kijk, kijk! Wie da we doar hen! riep Veel-Hoar, half spottend,
half uitdagend.--We zoen wel geld geen om ulder te zien!

Deeske Wildeborst en Theofielke Schandevel hielden zich even heel
kalm en ernstig, alsof ze de spottende toespeling niet begrepen.
"Elk ne goen oavend," herhaalden zij enkel nog eens. Langzaam,
deftig, gewichtig bijna, gingen zij ook plaats nemen aan een
tafeltje, schuins tegenover den boerekinkel, en Theofielke bestelde
bedaard "twie pijntsjes bier", terwijl hij het vijffrankstuk even
over 't tafelblad liet rinkelen.

Veel-Hoar keek met verbaasde oogen op en zelfs de oude moeder werd
door het verleidend geluid even wakker.

--G'he 't zitten vandoage, geleuf ik! kon Veel-Hoar niet nalaten uit
te roepen.

--Ha, w'hen toch watte! meende Theofielke, met een trotsch gebaar
het stuk weer in zijn zak verstoppend.

Fluks, terwijl ze een der glazen volschonk, berekende Veel-Hoar, dat
beiden haar 'n paar keer schuldig stonden.--Vijf frank! dat kwam
zoo wat uit. Dat stuk moest ze hebben! Haar oogen glinsterden.

--Pakt euk'n pijntsjen, en gec moeder euk eentsjen, zei Deeske
royaal, toen ze met het presenteerblad bij hen kwam. Veel-Hoar vulde
nog twee glazen bij en er werd aangeklonken. Scheef zat Deeske naar
den boerekinkel om te loeren of hij nog geen beweging maakte om op
te stappen. Er kwam een korte stilte. De beide vrienden staken
versche sigaren op en staarden den lichtblauwen, naar de gore
zoldering krinkelenden rook even na, in gedempte woorden ernstig
pratend.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. knowncrafts.net. All rights reserved.