Book: Lente
C >>
Cyriel Buysse >> Lente
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10
Ook al sigaren! dacht Veel-Hoar, meer en meer verwonderd. 't Is
zeker, er moet met hen iets gebeurd zijn. En korzelig begon ze ook
den boerenlummel aan te kijken, die maar geen toebereidselen maakte
om op te stappen.
De glazen waren leeg.
--Nog vier pijntsjem, Euphrasie, en 'n spel koarten, bestelde
Theofielke met doodkalme stem, alsof zij nu eens vast van plan waren
daar nog een heele poos te blijven.
Langzaam stond de boerepummel op.
--Euphrasie, hoorden de twee vrienden hem met lijzige fluisterstem
beginnen..., en hij probeerde met Veel-Hoar het welbekende,
heimelijk praatje aan te knoopen, dat zij ditmaal echter dadelijk,
kortaf, op boozen toon bijna, afhakte:
--Joa moar, Sies, vandoag 'n he 'k gienen tijd, zille; ge moet nen
andere kier komen.
Teleurgesteld, met een valschen blik naar Theofielke en naar Deeske,
droop de pummel af.
--Wa mient die loeder wel dan! riep Veel-Hoar kwaadaardig de deur
achter hem dichtsmakkend.
Dadelijk, zonder een oogenblik tijd te verliezen, was Deeske, met
een vluggen wenk naar Theofielke, nu ook opgestaan.
--Euphrasie, 'k zoe ou wel e-kier wa moete zeggen, fluisterde hij de
geijkte vraag.--Theofielke, den rug naar hen gekeerd, hield
intusschen de oude, suffe moeder aan de praat.
--Joa moar, hoe zit dat? He-je gij euk geld? vroeg zonder omwegen
Veel-Hoar.
--Theofielke zal ou vijf fran geen, beloofde Deeske.
--Joa moar, en gij?
--Hij he 't geld, lijk of ge gezien het. Hij zal betoalen veur ons
alle twiee.
--Hoe, veur alle twiee?
--Wel joa, w'hen lotse getrokken. Ik ha 't langste.
--O gie nondedzju! riep Veel-Hoar even aarzelend.
--Ala toe toe, ge 'n zijt toch gien klein kind! schimpte Deeske,
reeds in 't gangetje.
Veel-Hoar keek even naar Theofielke en haar moeder om. Toen sloop ze
weg, Deeske achterna...
* * * * *
--Pst! pst! floot stilletjes Deeske, na een poosje weer in
't gangetje verschijnend.
Theofielke keerde zich om, kwam langzaam naar hem toe.
--Ala, hoast ou, zille, 'k zal aan d' achterdeure wachten.
--Goed, zei Theofielke. En op zijn beurt verdween hij in het
Gangetje...
Eenige oogenblikken daarna liepen ze beiden met haastige schreden
door het somber tuintje weg.
--He ze 't? He-j'heur 't stik geloaten? vroeg Deeske onder
't vluchten.
--Joa z', zille! Moar hoast ou nou!
Zij kwamen weer op straat, schichtig wegscherend met vlugge passen
in de donkere schaduw van den boomgaard, en reeds waanden ze zich in
veiligheid, toen plotseling de voordeur van het kroegje open vloog
en Veel-Hoar midden op de straat gesprongen kwam, razend, scheldend,
schreeuwend, als om de heele buurt er bij elkaar te troepen.
--Stille! Kruipt in d'hoage! fluisterde Deeske, met geweld
Theofielke neerduwend en zelf in 't donkere der heg zich weghurkend.
Deuren werden opengerukt, belletjes klingelden, verwarde stemmen
galmden, vlugge passen kwamen in het donker aangerend.
--O! die sloebers! die smeirlappen! die dieven! Z'hen mij 'n slecht
stik van vijffran gegeen! hoorden zij Veel-Hoar woedend gillen.
'K zal noar de policie goan! 't 'n Es verdome giene eens weird! Doar!
Doar! Sloebers! dieven!... En plotseling werd het stuk rinkelend over
de keien in de straat gekeild.
Deeske, die voor Theofielke zat, zag het even in de duisternis
zilverflitsen en als een steen kwam het, met een korten plof, tegen
zijn broekspijp aangeslagen. Hij greep het op, hield het in zijn
dichte vuist gekneld, boorde met de drukking van zijn rug een gat
door de haag, kroop er in weg en trok er Theofielke insgelijks
doorheen.
--Toe nou! toe nou! Leupen, zille! Anders krijgen we op ons smoel!
riep hij dof.
--'t Es spijtig van da stik, loat het ons iest zoeken, 't kan nog
dienen, fluiserde Theofielke.
--Zij-je zot dan! Heurt! Ze zijn doar! Ze zoen ons deudsloan! Ala
toe, wig, wig!
Dwars over den boomgaard, hollend en struikelend, kwamen zij voor
een tweede heg, boorden er insgelijks door, en waren weer in 't open
veld. Zonder te verademen, achtervolgd door het razend getier van
Veel-Hoar, dat hoe langer hoe heftiger in de rumoerige straat
opklonk, liepen zij over omgeploegde akkers, door rapenloof en
bieten, en kwamen eindelijk op den breeden weg terecht. Daar hielden
zij even stil en schaterden er hun dolle pret wild uit.
--Veur azeu nen dag gaf 'k wel zes moanden van mijn leven! juichte
Deeske.
--Moar es da toch nie spijtig da we 't stik niet weer 'n hen!
jammerde Theofielke.--We zoen d'r nog ne kier kennen mee uitgoan.
--Bah! 't gien dat we g'had hen, hen we toch g'had, troostte
Deeske.--Wie weet wat dat er loater nog gebeurt? Meschien geeft
ouen boas ou nog wel e-kier azeu 'n stik.
Hij haalde zijn laatste sigaar uit en stak die genoeglijk-smakkend
aan. Het vlammetje verlichtte leuk zijn oolijk-knippende oogjes,
zijn bruinen kroezelbaard en zijn rood-glimmende koontjes. Hij
voelde zich zoo echt prettig gestemd en welgedaan. Hij blies het
lichtje uit en weer stapten zij gezellig in het duister naast
elkaar: de groote trekbeenend en slungelend als liep hij op een
hobbelbed van keien, de kleine effen-rythmisch schuivend in de
gekadanseerde slingering van zijn korte armpjes, als gleed hij,
roeiend overeindstaande, in een onzichtbaar schuitje voort.
Daar stond de oude, grijze molen met zijn naakt-gekruiste wieken, en
ginder verre lag de groote, sombere hoeve, zwaar ingesluimerd in den
dompigen nacht. Zij moesten afscheid nemen. Morgen begon alweer de
lange, saaie arbeidsweek.
--Allo, Dees, sloap wel, zille; en tot zondag he? zei Theofielke.
--Sloap wel, Teefiel, en tot zondag! antwoordde Deeske.
En smakelijk dampend verdween hij met zijn korte, kleine, vlugge
pasjes in het donkerstille van het eenzaam veld.
IV.
"DEN BINDER".
Geen mensch heeft ooit precies geweten waarom "den Binder" zich
verdronken had. Hoe hij zich verdronken heeft, heb ik, door den
jongen houtzager die 't zag gebeuren, hooren vertellen.
Een eigenaardig type was die "Binder". Een kort, nog al gezet ventje
van om en bij de zestig, met een strak-ernstig, diepzinnig gezicht,
en met de vreemdste, de angstwekkend-vreemdste oogen die ik ooit
gezien heb. Die oogen, achter hun brilglazen, staarden bijna
aanhoudend ten gronde. Je keek hem aan, je vroeg hem iets, je praatte
met hem een heele poos: onafgewend bleven zijn oogen strak ten gronde
kijken, op de tippen van je laarzen. Iets buitengewoons moest hem
dwingen of verlokken om ze even schuchter op te slaan; en dan zag je,
als in een weerlicht zoo vlug, twee kleine, sombere, glanslooze
ballen, als waren zij uit hoorn gesneden; twee doffe ballen zonder
licht noch leven, behalve iets,... iets bijna onnaspeurbaars diep en
fijn van tinteling: twee korte, weeke lichtstraaltjes vol van een
onuitsprekelijken weemoed, die zoo aangrepen, zoo onweerstaanbaar
aangrepen, dat je verademde wanneer het mannetje maar dadelijk weer
zijn droeven blik ten gronde richtte. Er lag als 't ware een afgrond
van onuitgesproken wee in die twee doffe, trieste oogen.
Was het om die vreemde oogen, of om zijn afgetrokken,
menschenschuw karakter, of waarom was het ook?... althans, de
menschen in het dorp beweerden dat hij met den booze omging en kon
tooveren.
Hij was een bezembinder. Zijn eigenlijke naam wisten de meeste
dorpelingen zelfs niet meer. Zij noemden hem kortweg: "den Binder".
Hij woonde in een zijstraatje, en was getrouwd met een mager,
houterig, gebogen vrouwtje, die een klein winkeltje hield en heel
veel op hem knorde en over hem met hare klanten babbelde. Sieska
heette zij.
--Sieska, keunt-e gij euk, gelijk "den Binder", teuveren?" kwamen de
jonge kerels haar soms plagen. En dan stoof het er op los,:
--Gie sloebers! Gie deugenieten! Watte! Zij-je nie beschoamd:
treffelijke meinschen durve komen affronteeren in ulder eigen huis!
Ala! Hoast ulder ziere buiten as ge moar doarveuren 'n komt!
Dat verwijt van tooverij, dat als een vloek (niemand wist wie het
voor 't eerst over zijn tong had laten gaan) op 't leven van "den
Binder" drukte, vergalde en kwelde ook onophoudend Sieska's eigen
leven. Want,--en dat was wel het aller-ergste,--ook zij geloofde
dat "den Binder" met den duivel omging en kon tooveren; en telkens,
na zoo een of andere plaagscene met de straatjongens of de buren,
overstelpte zij het ongelukkig ventje met de scherpste en de
razendste verwijten.
--O! gien dwoazen, dwoazen loeder!" hoorden de buren haar dan woedend
krijschen. "Gie stommerik! Gien ezel! Wa veuren plezier keunt-e doar
nou in hen as ge de meinschen beteuvert, as ge de koeploage in de
stallen brijngt, of as ge kleine kinders die ou niets misdoan 'n hen
doe ziek worden en stirven! In 't kot moesten z' ou steken! ou leven
lank in 't kot! gie kalf woar da ge stoat! Joa moar, wach moar! T'n
zal azeu nie blijven duren! Past op, keirel! De boeren woaken op ou
en ze zillen ou omverre steken mee ulder vurke, lijk ne roazenden
hond, en ge zilt tot in der ieuwigheid in d' Helle branden! En past
ou op, sloeber, da ge mij euk nie 'n beteuvert!
Eigenaardig was de houding van "den Binder" onder dien stormvloed
van verwijten. Hij trachtte zich niet te verdedigen; hij zei niet
dat het alles onzin was en maakte zich niet boos; hij stond daar
maar, roerloos en als 't ware machteloos geslagen, zijn
angstwekkende oogen strak ten gronde; en hij antwoordde slechts met
korte, doffe, afgehorte zinnetjes, altijd dezelfde, terwijl hij nu
en dan toch, in een bruuske opstandsbui, razend met zijn hiel tegen
den vloer stampte:
--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
zot!
Maar Sieska liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Haar schrille
stem, die aanhoudend de zijne overschreeuwde, werd klagerig en
huilerig; zij viel aan 't zuchten en aan 't snikken, en eindelijk
moest zij haar verdriet ook buitenshuis gaan luchten. Zij kwam met
open deuren midden op de straat in 't spottend-grinnikend gepeupel
staan: en daar begonnen weer de scherpe dreigementen en verwijten; en
dat 't een schande was, en dat het zoo niet blijven duren kon, en dat
de overheid er zich mee zou bemoeien, dat alles vergezeld van
verontwaardigde blikken en sidderend-gebalde vuisten naar het
winkeltje, waar de rampzalige "Binder", achter de toonbank half
verscholen, machteloosongelukkig zijn schouders ophaalde, of, af en
toe razend-stampvoetend, met den blik ten gronde heen en weer liep,
hopeloos-halsstarrig, steeds met dofhortende stem zijn zelfde,
zwakke, onbenullige weerlegging herhalend:
--Zwijg! zwijg! zwijg, zeg ik ou! Ge zij zot! ge zij zot! ge zij
zot!
Zoo was het leven van "den Binder" somberdroef en akelig. De menschen
in het dorp, de boeren op het land, wisten niet precies hoe ze 't met
hem hadden. Ging hij werkelijk met den duivel om en kon hij tooveren,
of was het maar een flauwe grap en kon hij niets! Zij twijfelden en
hun twijfel was vol wantrouwen en vrees. Waar hij schuchter op de
boerderijen kwam om drooge brem of teenen te koopen, werd hij liefst
niet binnenshuis, noch in stallen of schuren ontvangen. Men kon nooit
weten! Boer of boerin liepen hem haastig bij het hek of nog bij
voorkeur op den landweg te gemoet en de kinderen werden achter de
deur gehouden. Moest een vrouw alleen hem langs een paadje
tegenkomen, dikwijls keerde zij op haar weg terug, of kon dat niet,
dan maakte zij een heimelijk kruisteeken en prevelde in zichzelf een
kort gebed.
In hoeverre "den Binder" al dat angstig en verwijderend wantrouwen
merkte en voelde, en of en hoe hij er ook onder leed, dat wist geen
mensch. Niemand vroeg er hem naar, en hij, de doodmelancholisch
gedrukte en schuchtere, klaagde ook aan niemand zijn veronderstelde
leed. De slag,--zijn zelfmoord--viel als een donderslag, onverwacht.
Ik was toevallig in de buurt waar het gebeurde en heb hem uit
't water zien halen....
Hij leek mij kleiner en dikker dan ik hem in leven gekend had. Zijn
paarsgezwollen hoofd hing zwaar op de borst en zijn oogen, zijn
vreemdangstwekkende oogen waren toe. Hij had zijn jas en schoenen
uitgetrokken, zijn bril was weg, zijn armen, in witte hemdsmouwen,
met slijk bezoedeld, hingen slap langs zijn lijf. Zijn pet die
afgevallen was, had iemand scheef weer op zijn kop gedrukt, en zoo
had bij iets van een dronkaard, die in bedwelmden toestand uit een
modderige sloot was gehaald.
Heel weinig opschudding onder de menschen die dat alles bijwoonden.
't Was of ze 't al lang zoo verwacht hadden. Een kruiwagen gehaald, het
lijk er op gelegd, met een paar baalzakken bedekt, en, onder geleide
van den veldwachter naar huis er mee, bij Sieska. Slechts een
twintigtal nieuwsgierigen liepen er joelend omheen.
Maar langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes
rinkelen, mannen, vrouwen, kinderen, komen toegesneld.
"'t Es den Binder!... den Binder die hem versmeurd het!" gilt de
menigte. En drommen dringen weldra om den kruiwagen, waarop den
Binder, scheef in elkaar gezakt, met scheeve muts en slaphangende
armen, over het ongelijke straatplaveisel wordt vervoerd. Heel zijn
doode lichaam schokt bij elken hobbelkei, meer en meer gaat hij
lijken op een machteloosbedwelmde dronkaard; en zijn pet zakt zoo
scheef, dat ze weldra op zijn linker oog en op zijn neus staat, den
rechterkant van 't hoofd met kalen schedel half ontblootend.
't Gepeupel joelt en lacht er om, en kwinkslagen klinken. Met een
bruusken duw zet de veldwachter de pet weer recht. Nu lijkt den
Binder op geen dronkaard meer. Nu lijkt hij plotseling op een heel
heel ernstig en armoedig mannetje, dat paars zit van de kou, en,
onder 't schokken van het wiel over de hobbelige keien, weer wat
warmte in zijn verkleumde ledematen tracht te krijgen.
Daar komen z' er mee in het zijstraatje! Het is er vol, stampvol van
mannen in hun werkplunje, zoo van hun bezigheid weggeloopen, van
vrouwen met slordige haren en slonsige kleeren, die kleine kinderen
op den arm dragen. In 't openstaande deurtje van den Binder
verdringt zich een menigte reikhalzend, op de teenen staande met
gretige, als 't ware hunkerende gezichten door 't smal gangetje naar
binnen starend.
--Es Sieska doar? Wee ze 't al? Wa zeg ze? Wat doe ze?...-Al die
vragen kruisen door elkaar, maar niemand kan opheldering geven.
't Is er een warboel, in en om het huisje.
De veldwachter baant met moeite den kruiwagen een weg; de stoet
houdt voor het deurtje stil. Twintigtallen stroomen toe, dringen
zich trappelend op elkaar, zien, of zien niet den dooden "Binder"
binnendragen.
En de jonge houtzager, die er bij was toen 't gebeurde, en met den
kruiwagen is meegeloopen, herhaalt nog eens, voor de drukke,
rumoerige schaar der omstaanders, zijn verhaal:
"Ik en mijn voader woaren langs de voart bezig met heit zoagen: ik
van boven op de schroage; voader van onder. Doar zie ''k "den Binder"
komen. "Voader, past op, zeg ik azeu, doar es den teuveroare!"...
"Loat hem moar teuveren en zoag gij moar veurt," antwoordt
voader.--"Den Binder" komt veurbij. "Dag Binder!"--zeg ik.--"Dag,"
antwoordt hij.--Hij goa 'n endeke langs de voart en al mee ne kier
blijft hij stoan en doalt den troakel af, rechte noar 't woater
toe.--"Wa betiekent da verdeeke!" peis ik mijn eigen. "Wa goat-ie hij
doen?"--"Wacht-e kier, voader, zeg ik azeu; houdt-e kier op mee
zoagen!"... 'K zie den Binder zijn vest uitdoen, zijn schoens
uittrekken, zijne schoapelier afleggen...! "Verdeeke, voader, zeg
ik, hij goa hij hem versmeuren...! 'K 'n ha 't nog moar percies
gezeid of: Paffe!... doar neemt hij zijne leup en sprijngt in
't woater!...
--En?... en?" vragen enkele nieuwsgierigen, verwonderd dat de jonge
man niet verder vertelt.
--Hawel, hij lag-ie hij in 't woater," herhaalt deze doodgewoon.
--Joa moar; wa het-e gij gedoan as hij in 't woater lag?" dringen de
toehoorders aan.
--Wat da 'k gedoan he?... Niets!" is 't onverschillig antwoord.--"'K
ben op de schroage blijve stoan kijken. Hij es mee zijne kop weere
boven gekomen; hij he gebloazen lijk 'n katte en mee zijn peuten
geslegen dat 't woater speitte...; en tons es hij weer onder gegoan en
onder gebleven...
--En het-e gij nie geprobeerd om d'r hem uit t' hoalen! En ou voader
euk niet?
--Bah woarachtig niet! Hij moest hij da moar weten as hij hem wilde
versmeuren! As ik zag dat hij nie mier boven 'n kwam ben ik van de
schroage gekropen en voader es bij zijn klieren en zijne schoapelier
gebleven binst dat-e 'k ik aan de sampitter gijnk zeggen...
Eenige lui lachen gedempt; anderen, hoofdschuddend, trekken
sleepvoetend weg. En in het huisje van "den Binder", waar het steeds
als een mierennest krioelt, hoort men eensklaps een klagelijk geluid
opgaan, een langgerekt, dof-akelig gehuil van smart, als het gebrul
van een gefolterd beest.
--Heurt-e Sieska!... 't Zal heur nog spijten van heuren "Binder!"
zeggen de menschen, langzaam uiteengaande...
V. RESTITUTIE.
Teum Grondnagel lag stervensziek...
't Was een gewezen sterke, stoere, woeste boerekerel van een
zestigtal jaren. Rotssterk, ijzersterk, was hij zijn leven lang
geweest. Ik zie hem nog in verbeelding voor mij staan: groot, zwaar,
vierkant-geschouderd, met zijn steenrood, glad-geschoren gezicht en
zijn harde, grijze, diepliggende, boos-en-stuursch-schitterende
oogen.
Hij praatte weinig, maar luisterde veel, de menschen strak en
benauwend-lang aankijkend. Zijn dunne lippen konden uren op elkaar
gesloten blijven, zonder een klank door te laten.
Hij was kort en gebiedend tegen zijn onderhoorigen en deze waren
vreeselijk bang voor hem. Zelf werkte hij heel weinig, maar scherp
hield hij toezicht dat zij, die voor hem werkten geen oogenblik van
hun tijd verbeuzelden.
Hij was ongehuwd. Wie hem destijds van trouwen sprak, kreeg een
minachtend, smalend antwoord. Toch hield hij wel van vrouwen, maar
enkel bij buien, in zijn woeste uren, wanneer hij, zooals hij dat
noemde, en de menschen uit 't omliggende het hem ook nanoemden,
"aan 't woaien" was.
Dat "woaien" van Teum Grondnagel was een alom bekend, door enkelen
verlangend tegemoet gezien, door de meesten echter geducht en
verafschuwd sporadisch verschijnsel. 't Begon doorgaans plotseling,
zonder eenige bizondere aanleiding noch oorzaak. Op een of anderen
ochtend, 't zij werkdag of rustdag, trok Teum zijn beste kleeren
aan, stopte zijn zakken vol geld, verliet, zonder iemand te
waarschuwen, zijn hoeve en begon te "woaien".
De buren wisten 't dadelijk, merkten 't aan zijn gang en houding,
nog voor hij iets gedronken had. En het bericht liep rond van huis
tot huis, van herberg tot herberg, van boerderij tot boerderij:
--Opgepast, meinschen! Uit de wig! Teum Grondnoagel es aan
't woaien!"
Drinken en slampampen, schelden, schreeuwen, kijven, vechten, dagen
en nachten achtereen, tot allerlaatste uitputting van geld en
krachten!...
Hij stormde de landelijke kroegjes binnen, trakteerde al wie om hem
heen was, vloekte, brulde, sloeg met zijn stok den boel kapot,
overweldigde de vrouwen, trok messen met de mannen, en ging dan weer
aan het trakteeren en betalen, een woeste dierlijke, liederlijke
orgie, tot het eensklaps, zonder reden, uit was, net zooals het
zonder eenige reden was begonnen en hij onverwachts weer op zijn
hoeve kwam, somber-stug en dreigend, zonder iemand aan te spreken, en
in een stompen beesteslaap van vier en twintig uur het einde van zijn
walgelijken roes uitvierde. Alsof er niets gebeurd was liep hij dan
den volgenden dag weer op zijn land en in zijn stallen, scherper dan
ooit toeziende, onverbiddelijk hard voor de minste nalatigheid, voor
het onschuldigst verzuim. Wee hem of haar die dan iets goed te maken
had! En wee ook wie met hem moest onderhandelen, wie iets van hem te
koopera of te krijgen had! Met helsche, boersche schraapzuchtige
slimheid en sluwheid, door ontelbare geniepige, onnaspeurlijke
bedrogjes, door een dagelijksche kleine mengeling van water in de
melk, van vet in de boter, door een gering, maar aanhoudend te kort
geven in maat of in gewicht, allemaal kleingeestig geknoei, dat hij
zelf en 's nachts, buiten wete van knechts en meiden, klaarspeelde,
wist hij op den duur het baldadig weggegooide opnieuw aan te zuiveren
en weer een potje voor een volgende uitspatting te vullen. Toen was
hij trotsch dat hij iedereen zoo ongemerkt had beet genomen. Hij
voelde als een innerlijke deugd zijn sluwe ruwheid; zijn
diepliggende, grijze oogen fonkelden in zijn steenrood gezicht; hij
was de sterke, rijke, machtige reus, die al de om hem levende,
verachtelijk zwakke en kleine wezentjes, als een zwerm van dwergen en
van nietelingen onder de knie had.
Tot eensklaps de ziekte. de zwaarknakkende ziekte hem neer kwam
slaan! De reus werd zelf een zwakkeling; zijn ijzersterk gestel was
eindelijk door het jarenlang baldadig leven ondermijnd!
Hij zat daar, bevend, met koortsachtiggloeiende oogen, in den
donkersten hoek van zijn haard, als een afgejaagd, in 't achterhol
gedreven beest ineengedrongen. Het "woaien" was voor altijd
uitgespeeld, hij kon van niets meer genieten en met somberen nijd en
afgunst volgde hij gansche dagen, machteloos-razend, het leven van
hen die, nog vol jeugd en vol gezondheid, zich om hem heen bewogen en
nu ook, wanneer ze wilden, aan zijn jarenlang zoo sterk gevreesden
meesterblik konden ontsnappen. Wat kon't hun schelen of hij nu nog
raasde en vloekte en ook dreigde met zijn stok! Er zat geen kracht
meer in zijn knuisten en zijn beenen waren lam!
Dat alles zag en wist en voelde hij, met een hopelooze helderheid,
die zijn folteringen nog verergerde; en, in 't besef van het naderend
einde, kwam nu ook in hem een vrees op, kwellend en onverjaagbaar: de
toenemende, afschuw-wekkende vrees voor straf en boetedoening
hiernamaals, gevolg van al het kwaad en onrecht, dat hij gedurende
zijn gansche leven had bedreven. Wat al menschen had hij, al die
lange jaren, niet mishandeld en bedrogen en bestolen! Zij wisten
't niet, maar Hij, de Groote Rechter, voor wiens troon hij weldra zou
verschijnen, die wist alles, en die zou hem rekening vragen en hem
tot het einde der eeuwigheid, die geen einde had, in de Hellevlammen
doen folteren! Dan zat hij in zijn leunstoel zich te kronkelen, alsof
hij de gruwelijke brandpijnen reeds voelde; en zijn koorts-gloeiende
oogen spalkten zich van afschuw open en zijn bibberende lippen
slaakten heesche kreten, krampachtig-smeekend om genade. Doch was er
voor zulke zondaars wel genade? Hij had den pastoor laten komen en
zijn biecht gesproken; maar 't was hem slechts een zwakke troost
geweest en de absolutie van den geestelijke had hem in 't geheel niet
opgebeurd. Een enkele, allerlaatste toevlucht was, misschien nog,
voor hem open: restitutie doen!...
Uren lang, dagen lang, zat hij daar, somber en bevend, in den
donkeren hoek van zijn haard, over na te denken. Wie had hij al
bedrogen, en voor hoeveel? Het duizelde in zijn hoofd, er waren er te
veel, en sommigen leefden ook niet meer. Voor die zou hij in elk
geval moeten branden! Maar van anderen kon hij 't zich nog goed
herinneren en hij vroeg papier en potlood en begon na te denken en te
rekenen. Dat duurde weer lange, lange dagen. Telkens kwamen er nieuwe
namen bij, geput uit de diepste diepten van zijn
oude-schelmsgeheugen. Maar eindelijk was hij er mee klaar en hij
begon te zinnen wie hij met de netelige boodschap wel gelasten zou.
Het moest iemand van groote discretie en volmaakt vertrouwen zijn. Na
eindeloos wikken en wegen viel zijn keus op Jantje, een oud ventje
uit het Armenhuis, dat hem welbekend was voor zijn onbesproken
eerlijkheid en rechtsgevoel en dat ook vroeger nog bij hem gewerkt
had. Op een kouden, mistigen November-ochtend werd Jantje dringend op
de boerderij ontboden; en heel alleen met het oudje in de ruime,
sombere boerenkeuken, legde Teum zijn schurkenziel bloot, en vroeg
hij Jantje of deze, overal, in zijn naam, wilde gaan restitutie doen.
Hij zou er hem mild voor beloonen.
Verbaasd, gansch ontdaan door die onverwachte opbiechting, stemde
Jantje, na een korte aarzeling, toe.
En Teum begon een voor een zijn zonden op te sommen, eerst tegenover
Jantje zelf.
--Weet-e nog wel, Jan, da ge mij ne kier ou streud
verkocht het? 't Moest hier op 't hof gewegen worden, en gij 'n
woart er nie bij. Hawel, in ploatse van achthonderd kilos, die 'k ou
betoald he, worden d'r negen honderd vijftig. 'K he ou dus dien dag
veur honderd vijftig kilos bestolen! Honderd vijftig kilos aan zeven
centiemen de kilo, da moakt tien fran en half. Mee den intrest van
mier dan vijftien joar doarbij gerekend, hoevele zoe da zijn?
Twintig fran? Vijf en twintig? Loat er ons ne slag in sloan; nim,
doar es vijf en twintig fran!...
Jantje zat hem roerloos aan te staren, met open mond en wijde
Ooggen, als gek van verbouwereerdheid. Een vloed van hooge kleur
kwam plotseling over zijn oude gerimpelde wangen en zijn verweerde
handen beefden op zijn knieen, alsof ze sidderden van kou.
--Ha moar boas toch! Ha moar boas toch!" stamelde hij eindelijk, met
droogslikkende stem, zonder de vijf schitterende stukken aan te
nemen.
--Neem aan! neem aan!" kreet dringend Teum, alsof het geld hem in de
handen brandde. En toen dit eindelijk geschied was, haalde hij zijn
potlood-krabbellijstje uit en las het 't oudje voor:
--Viertig fran aan bezinne Van de Weghe veur gewichte te kurt op
tien joar leverijnge van eirdappels.
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 | 6 |
7 |
8 |
9 |
10