A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | R | S | T | U | V | W | Z

New Philadelphia Book Publisher Highlights Local Talent
Book and Publishing News from Publishers Newswire(tm)

Looking for Child to be on Cover of a New Book, 'The Model Child'
PHILADELPHIA, Pa. -- The Philadelphia literary world will celebrate the launch of two new players today, April 10th: Kay Square Press, a new publishing company focused on Philadelphia-area artists, their stories, and their art; and Kay Square's first release, 'With the Rich and Mighty: Emlen Etting of Philadelphia' (ISBN: 978-0-9815129-0-7), a critical biography by Kenneth C. Kaleta.

FlatSigned Press Alleges Don Imus Remarks Damage Legacy of President Gerald R. Ford
NEW YORK, N.Y. -- Nathan Yungerberg, an accomplished model scout and professional child photographer is launching a nation-wide casting call to find the cover model for his highly anticipated book release, 'The Model Child: A Parents Guide to the Child Modeling Industry' (ISBN: 978-0-9817018-0-6).


Book: Lente

C >> Cyriel Buysse >> Lente

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10



Jantje knikte, droog-hikkend, sprakeloos.
--Vijf en tsjestig fran aan Theofiel De Mispeloare veur vijf joar
mijngelijnge van rogge in de tarwe.

Jantje knikte.

--Tachentig fran aan de weduwe van Lierde, veur mijngelijnge van vet
in de boter...

Zoo ging het voort, een lange, lange lijst van jarenlang geknoei; en
bij iederen naam legde Teum met bevende, ontvleesde hand de som, die
Jantje met zijn niet minder bevende, knokkelige vingers telkens
opstreek en in een grauw-linnen beurs vergaarde.

--Goa nou, hoast ou," zei Teum, nadat het laatste eindelijk was
bijgepast. En uitgeput zonk hij somber in zijn leunstoel weg,
terwijl Jantje, duizelend van emotie, met struikelende passen
't boerenhuis verliet.

* * * * *

Den ganschen dag besteedde hij aan zijn langen omtocht.--Daar waar
hij aankwam vroeg hij op geheimzinnigen toon om den baas of de bazin
alleen te mogen spreken, en fluisterend, met schuwe blikken om zich
heen, vertelde hij 't geval, terwijl hij langzaam de beurs
losknoopte en 't lijstje en het geld te voorschijn haalde.

Wat een verbazing in de meeste huizen! Overal zetten de menschen
wijde, haast ongeloovige oogen op. Sommigen stonden er als
stom-verslagen onder, anderen bromden en scholden even, nog anderen
twijfelden of hun wel genoeg teruggegeven werd; de meesten echter
waren dankbaar en gelukkig over 't onverwachte buitenkansje en in
alle plaatsen werd Jantje overvloedig getrakteerd. Hij was daar
heelemaal niet aan gewend en 't steeg hem spoedig naar het hoofd. Van
lieverlede deed hij minder geheimzinnig, werd druk en praterig,
vertelde zonder eind zijn eigen geval, 't bedrog met die vroegere
levering van stroo. Het werkte prikkelend op hem in, het wond hem hoe
langer hoe meer op, zijn oogjes glinsterden en zijn koontjes
bloosden; hij dronk maar grif de "dreupelkes" en "pijntsjes" uit, die
hem voortdurend werden aangeboden; en, toen hij met invallende
schemering op de boerderij terug kwam, liep hij een paar keer tegen
de stammen van den boomgaard aan, voor hij de deur van 't huis kon
vinden.

Angstig hijgend en jagend zat Teum op zijn terugkomst te wachten.
Zoodra hij hem zag stuurde hij Meelnie, de oude huismeid, naar
buiten; en, nog voor Jantje den tijd had plaats te nemen, vroeg hij
dringend, met zijn holle, heesche, trillende stem:

--Hawel? Wa hen ze gezeid? Hoe es 't gegoan?"

--O! bezonder! bezonder!" juichte Jantje, geestdriftig zwaaiend met
zijn beide handen. "Ze zijn kontent, zille! Dat 'n keunt-e nie
geleuven!"

Somber, met zijn diepliggende van koorts gloeiende oogen, keek Teum
hem in 't halfduister van de ruime, laag-gebalkte keuken aan. Hij
merkte hoe het oudje aangeschoten was en zijn bevende hand omknelde,
met machteloos gebaar van woede, den knuppelstok, als om er mee te
slaan.

--Wa hen ze gezeid? vroag ik ou," herhaalde hij schor, dreigend,
kortaf, aamechtig hijgend.

--Da ge bedankt zijt! da ge wel duuzen kiers bedankt zijt!" jokte
Jantje, met de leege beurs en 't lijstje naar den haard
toestruikelend.

Teum slaakte een vloek en zwaaide met zijn stok, om het ventje op
een afstand te houden.

--Blijf van mij af! Ge zij zat? Ge zij ne zatlap! G' het gewoaid!"
raasde hij, knarsetandend.

--Ikke! Ikke! Ikke! ne zatlap! gewoaid! gewoaid!" riep Jantje
beleedigd en verontwaardigd.

--Stille! Gien laweid! vertelt!" beet Teum bitsig-gebiedend toe.

Jantje, door den ruwen uitval wat vernuchterd, begon te vertellen.
Het een na het ander, met zijn brabbelige stem die nu en dan bleef
haperen, gaf hij omstandig verslag van al zijn bezoeken: hoe de
menschen hem ontvangen hadden, hoe hij hun de zaak had voorgelegd,
wat ze daarop gedaan, gezeid, gevraagd hadden.

* * * * *

...--In de groote, laaggezolderde keuken was het bijna nacht
geworden. Door de kleine, groenachtige vensterruitjes glom nog
slechts een grijs-grauw twijfellicht, dat flets en dof weerglansde op
de koperen en tinnen schotels langs de wanden. De oude kasthorloge
met onzichtbaar geworden zinken uurplaat tikte
melancholisch-langzaam, en naast den zwarten haard, waarin de bijna
opgebrande blokken tot donkerroode houtskool versmeulden, zat Teum nu
onbewegelijk en als 't ware stomdreigend in zijn leunstoel weggezakt te
luisteren.


Dat duurde lange, lange stonden... Jantje had reeds alles verteld en
oververteld en nog steeds bleef Teum, gansch zwart nu in zijn
zwarten hoek, roerloos en sprakeloos luisteren. Het werd benauwend
en een vreemd gevoel van angst bekroop van lieverlede het oude
ventje. Hij zag alleen nog, vaag in de vale schemering van het
uitstervend vuur, Teums onbewegelijke, stokkerige, grijs-gekousde
enkels en zijn bleeke klompen. De oude klok tikte nu overluid in de
doodstille, donkere keuken en geheimzinnige schaduwen schenen laag
over den vloer en om de wanden langzaam heen en weer te kruipen.
Jantje werd bang. Zijn keel was droog, het duizelde in zijn hoofd,
hij voelde zich onwel worden. Even staarde hij verwilderd en
radeloos om zich heen; en eensklaps stond hij op en vroeg met een
bedeesd-bevende stem, die als een vreemden wanklank door de doodsche
stilte galmde:

--Hawel, boas, lijk of ik ou zegge: da es alles. 't Wor loat en
donker. Mag ik nou wiggoan?"

Geen antwoord. Stom en roerloos bleef Teum in zijn leunstoel
weggezonken, als had hij Jantje's schuchtere woorden niet gehoord.

--Boas!... boas...!" herhaalde Jantje met een plotseling ontstelde
stem, waarvan de klank hem zelf deed schrikken. En sidderend naar
den haard toe gaande, raakte hij Teum even met zijn aarzelende
vingers aan.

Achter een der kleine raampjes, daarbuiten, vertoonde zich, nog
nauwelijks zichtbaar, de donkere silhouet der huismeid, die, met de
beide handen trechtervormig naast haar oogen, peilend naar binnen
staarde.

--Meelnie! Meelnie!" gilde Jantje, door doodsangst bevangen.

--Wa schilt er dan?" vroeg de meid binnenkomend.

--Meelnie! Meelnie! Kijkt-e kier. Toe, steekt de lucht aan en
kijkt-e kier!" hijgde Jantje.

De meid deed haastig een klein lampje branden en kwam er mee bij den
haard.

--Och Hiere God!" schrikten zij beiden achteruit.

De armen slap over de leuning van zijn stoel, het hoofd scheef op
den rechterschouder, het aangezicht vertrokken en verkleurd, den
mond half open en de oogen toe, zat Teum in neergezakte houding
naast het uitgebrande haardvuur... dood.



VI.
DE STIER.

Het herbergje van 't Kuipken en de Stier stond dichtbij 't eene
uiteinde van 't dorp, op den zoogenoemden "Dries", een pleintje,
waar de straatweg, zich in tweeen splitsend, een soort rechthoek
vormt, in west-en-noordelijke richting. Wie langs een van die twee
wegen in het dorpje aankwam, liep om zoo te zeggen vanzelf in het
herbergje binnen.

't Was een eenvoudig witgeverfd huisje met groene luiken, smal maar
nog al hoog, drie steenen treedjes op naar 't gangetje, twee raampjes
beneden en drie op de verdieping. Het zag er uit als een net,
klein-burgerhuisje., eerder dan een herberg; en zelfs de naam _Het
Koffijhuis_, in zwarte letters boven 't deurtje op den witten gevel,
gaf er iets degelijks en deftigs aan, dat zich gunstig onderscheidde
van de meeste andere dorpsherbergen met hun gekke namen op de
bont-gekleurde uithangborden.

Wie daar dan ook woonde was de gemeenteontvanger met zijn zuster:
menschen van goed, landelijk komaf, maar zonder fortuin, en die er
't "stameneetje" bijhielden om rond te komen.

Binus, de broeder, was een dik, kort ventje met kaal hoofd en
kwabbe-wangen, dat slechts moeilijk en stijf-trekbeenend kon loopen.
Hij droeg den bijnaam van 't Kuipken. Fliesta, zijn zuster, was ook
kort en tamelijk gezet; maar het eigenaardige van haar type zat
voornamelijk in haar gezicht, dat groot en breed was, met
sterk-afgeteekende, bijna mannelijkforsche trekken: groote, ietwat
zwaarmoedig strak-kijkende oogen, een langen haviksneus, een stevige,
vierkante kinnebak; en op bovenlip en kin, meer dan een donkere
haardons; een kleine, echte snor en een begin van stekelbaard. Moest
dat de reden zijn of was er nog iets anders: althans, zij werd in
't dorp "de Stier" genoemd.

"De Stier" en "'t Kuipken"!... En toch niet uit kwaadwillige of
wreedaardige spotternij! Eerder uit gewoonte, omdat iedereen het
zei, omdat men hen altijd zoo had hooren noemen. De menschen zeiden:
"we gaan eens bij de Stier en 't Kuipken," zooals ze anders zouden
gezegd hebben: "we gaan eens bij den slager of den kruidenier." De
spotnaam had door 't algemeen en jarenlang gebruik zijn honende
beteekenis verloren.

En toch,... en toch... er was wel iets met haar, iets dat zoo niet
uitgedrukt kon worden en dat soms, o zoo sterk, de ondeugende
nieuwsgierigheid van klanten en bezoekers prikkelde. De boerkens uit
't omliggende kwamen zoo nu en dan, als 't ware door de beide wegen
die op 't herbergstoepje aanliepen geleid, bij het ontvangertje hun
aanslagbiljet betalen en meteen een potje kaart spelen of een
praatje maken; en, onder het gezellig keuvelen en onder 't drinken
van een "pijntsje" en een "dreupelke", was er wel af en toen eens
een, die zich wat bizonder met "de Stier" bemoeide en haar zelfs,
o zoo ondeugend, een beetje 't hof trachtte te maken. Dan had "de
Stier" zich goed te houden! Zonder haar gezicht te vertrekken
aanhoorde zij de krasse woordspelingen, de schouwe grappen op haar
snor en kinnestekels. Zij praatte en lachte mee, soms schuiner nog
en krasser dan de mannen, om duidelijk te laten merken dat zij voor
geen kleinigheid vervaard was en men van haar niet meer zou weten.
dan zij wel wenschte los te laten. Werd het wat al te bont, dan
zette zij een strak gezicht, of zij niets meer begreep; en
was er ook soms een die zich wat verder waagde en handen naar haar
uitstak, met een beslist afwijzend gebaar, en desnoods met een
flinken mep om 't oor, werd de kerel op zijn plaats gezet. Neen; het
baatte allemaal niets: de "Stier" hield haar geheim strak achter
haar gedecideerd gezicht van bijna manlijk-stuggen ernst verborgen
en de nieuwsgierige belangstellers mochten er nutteloos naar doelen
en naar raden.

* * * * *

Tot er opeens een ontzettend nieuws in het dorp werd verspreid!...
de "Stier" zou trouwen...!

Eerst was er geen mensch die daar geloof aan hechtte. Een ieder
beschouwde 't als een tamelijk flauwe grap. Maar het gerucht hield
aan, bizonderheden werden meegedeeld, het was volstrekt geen grapje,
de man was weduwnaar, gewezen voerman, hij woonde in een naburig dorp
en kwam de "Stier" geregeld bezoeken. Het duurde al een heele tijd,
men moest maar eens gaan kijken: telkens als haar broeder voor zijn
zaken uit moest zat de "Stier" uren lang in haar gangetje met open
deur wachtend uit te staren naar den weg langs waar de vrijer komen
moest, klaar om hem daar op te vangen, als een spin die roerloos
midden in haar web een vlieg zit te beloeren. En 't Kuipken wist er
alles van en was er woedend om. Heftige scenes hadden tusschen broer
en zuster plaats gehad; het Kuipken zei dat het een schande was, dat
zoo iets door de wet als immoreel diende verboden, en dat zij gingen
scheiden en hun goed verdeelen, en dat hij nooit meer met haar eenige
relatie wilde hebben.

Geweldig was de algemeene opschudding! De menschen gingen kijken,
zagen haar werkelijk zitten, terwijl het Kuipken uit was, half
verscholen in het gangetje, loerende door het open deurtje naar de
beide wegen langs waar de vrijer kon aankomen. En eindelijk, op een
middag, zagen zij hem zelf: een groote, stevige, ietwat lompe kerel
van goed in de vijftig, die met tragen, zwaren stap dwars over de
straat en langs het steenen trapje van drie treden in het gangetje
verdween...

* * * * *

Het was zoo: de "Stier" ging trouwen...!

De wettelijke afkondigingen hingen in het traliekastje aan de deur
van het gemeentehuis aangeplakt, de geboden in de kerk waren van den
preekstoel afgelezen, en 't Kuipken, onverzoenlijk gebrouilleerd, had
de scheiding van hun klein vermogentje geeischt, en het zoolange
jaren gemeenschappelijk bewoonde huisje, dat door het lot in haar
deel viel, voor goed verlaten, om in een der voornaamste
dorpsherbergen: _Het huis van Commercie_, op kamers te gaan leven.
Daar, elken avond, omringd door de ondeugend-nieuwsgierige
stamgasten, gaf hij razend op zijn zuster en haar aanstaand huwelijk
af, maar, hoe er ook al heimelijk gezinspeeld en gepolst werd, het
echte van de zaak liet het Kuipken niet los. Het bleef bij vage,
algemeene verontwaardiging en dreigementen, bij een voortdurend zich
beroepen op de wet, die zulke immoreele dingen moest verbieden.

--Wa veur immoreele dijngen, ontvanger?" drongen de
oolijk-ondeugende stamgasten aan. Maar gesard schudde 't Kuipken
hoofd en schouders, en, zonder verdere toelichtingen:

--Tuttuttut! Pouah! Pouah!" bromde hij. En hij huiverde en walgde,
alsof het hem te vies en te akelig was om daar iets meer over te
zeggen.

* * * * *

Intusschen werd door eenige grappenmakers uit het dorp een plannetje
op touw gezet. Zoo'n buitengewone gebeurtenis als het huwelijk van
"de Stier" diende wel op een buitengewone wijze gevierd te worden. En
er werd besloten dat de buurt zou vlaggen en 's avonds met lampions
en transparanten de huizen versieren. De dorpsmuziek zou aan de
trouwers een serenade komen brengen en een gelegenheidsgedicht zou
hun voorgelezen en met eerewijn en bloemen aangeboden worden.

Al van in den vroegen ochtend dreunden op den dag van 't huwelijk de
kanonnen. Dat wekte algemeene joelend-blijde feeststemming en drukke
scharen, waaronder zelfs gewichtige dorpsheeren en dames, stroomden
naar het gemeentehuis toe.

Daar kwamen de trouwers door de vlaggende straat aan. Zij liepen
gewoon langs de huizen, kalm en ernstig, zonder vertoon, beide heel
eenvoudig in het zwart gekleed. Alleen had "de Stier" haar zwarten
hoed met een paar witte linten en bloemen versierd. Haar houding was
deftig, haar groote, donkere oogen staarden, zonder vrijpostigheid
doch zonder schroom, naar het joelend, opdringende volk. Haar lange
haviksneus stond als een strakke snavel in 't midden van haar
gezicht, en boven haar mond, waarvan de fijne, toegeknepen
lippen zich op haar geheim schenen te sluiten, schaduwde manlijk de
snor, terwijl de zwarte stekelharen van de kin krachtig en bijna
uitdagend krulden. Met ondeugend-flikkerende oogen keek de menigte
haar aan. Hier en daar steeg wel eventjes een gil-lach of een kreet
op, maar de meesten hielden zich nog al goed. Enkele voorname
buitenheeren, in een groepje afgezonderd, staken hun dik-roode
koppen bij elkaar en hielden, buikschokkend, een vroolijkfluisterend
gesprek; enkele voorname dorpsdames, na lange aarzeling door
overweldigende nieuwsgierigheid toch aangelokt om alles tot het
einde bij te wonen, wendden even met een kleur het hoofd op zij, als
schaamden zij zich vaag over iets onbetamelijks, dat om haar heen
gebeurde.--Hij, de man, liep lomp en lummelig naast "de Stier",
't gezicht geschoren, de armen hangend, met een soort trekbeenende
schommeling, die hij wellicht van zijn jarenlang naast een
vrachtwagen loopen had overgehouden.

De deur der secretarie stond wachtenswijd open en zij traden binnen.
Daar zij zelven voor geen getuigen gezorgd hadden, waren deze
ambtshalve uit de buurt ontboden, en de huwelijksacte werd
onmiddellijk door den secretaris voorgelezen. Buiten, op de straat
joelde en gonsde het volk. Verdoofd gelach steeg op, kreten
weerklonken, in de verte dreunden de kanonnen. De ambtenaar van den
burgerlijken stand, die met moeite zijn lachlust bedwong, stelde de
geijkte vragen, de trouwers gaven 't jawoord en de plechtige
verbintenis werd voltrokken. De dorpsveldwachter, die grinnikend bij
een der ramen stond, gaf door een teeken naar buiten aan de menigte te
kennen dat het geschied was, en eensklaps ging er in de straat een
wild gejuich op, waarin de kreten: "De Stier es getreiwd! Vivat de
Stier!" midden in een reusachtig gelach weergalmden.--De Stier hield
zich goed, vertrok haar gezicht niet. De man, daarentegen, die, als
vreemdeling in het dorp, van al dat gefeest en gejoel niets begreep,
zette even wijd-verbaasde, bijna angstig oogen op.

De ambtenaar van den burgerlijken stand overhandigde hem
"'t boeksken", waarop hun huwelijk vermeld stond, en eventueel ook
Later de geboorten van hun kinderen zouden aangeteekend worden. En
hij kon niet nalaten daarbij 't gewone grapje te wagen:

--Kijk zie, d'r es ploats op veur twoalve. As 't vul es meugt ge'n
nieuw boeksken komen hoalen."

De secretaris, de veldwachter, de getuigen, en ook de ambtenaar van
den burgerlijken stand, allen barstten in een onbedaarlijken
schaterlach uit; en het gepeupel daarbuiten, dat hun vroolijkheid
hoorde, schaterde wilduitgelaten mee, met kreten als van dolle dieren
in het opnieuw herhaald, alom galmend geschreeuw:

--De Stier es getreiwd! Vivat de Stier!"

De Stier hield zich onverstoorbaar goed, maar de man zette hoe langer
hoe vreemdere oogen op.

De plechtigheid was afgeloopen. De trouwers verlieten het
gemeentehuis en kwamen weer in de vlaggende straat, waar de toeloop
van het volk intusschen tot enorme proporties was gestegen. Het leek
wel of het heele dorp daar bij elkaar getroept was. Een dol-joelende
stoet vergezelde hen tot aan de kerk, en, na de kerkelijke
ceremonie, tot aan het rijtuig dat hen naar de stad zou voeren,
alwaar zij, volgens gebruik, den huwelijksdag verder zouden
doorbrengen.

* * * * *

Eerst om negen uur 's avonds kwamen zij in 't dorp terug.

Gedurende hun afwezigheid waren de grappenmakers druk aan 't werk
geweest. Brandende lampions en vetpotjes hingen feestelijk te
wiegelen aan gespannen touwen voor de huizen, een vurige triomfboog
prijkte in de straat en hier en daar schitterden transparanten met
zeer eigenaardige opschriften. Maar de Stier hield zich goed, en de
man begreep maar half of in 't geheel zelfs niet.

Voor hun deur, onder den vuurstralenden triomfboog, werden zij
gek-plechtig door het feestcomite verwelkomd. Een der leden trad
gewichtig uit 't gelid naar voren, een groot vel papier in de eene
hand, een grooten ruiker in de andere. Met luidgalmende stem las hij
een hoogst-origineel gedicht voor, waarbij de joelende omstanders
weer herhaaldelijk in wilde schaterpret uitbarstten. Maar de man
begreep er niets van en de Stier hield zich voortdurend
onverstoorbaar goed. Strak-ernstig nam zij den bloementuil aan, boog
en dankte, dronk even van den eerewijn en overhandigde daarna het
glas aan haar echtgenoot, die het in een teug ledigde. Dichtbij nu
bomden de kanonnen, hun roode vuurtongen ten hemel schietend; en
plotseling verscheen in rooden fakkelgloed de muziek, met
donderendbonzende groote trom en schril-schetterende fanfaren. Het
gepeupel begon te zwieren, te springen en te dansen en 't feest
ontaardde in een woeste bacchanaal. Meisjes werden gichelend-gillend
in donkere hoekjes gedrongen, bier en jenever stroomden overvloedig,
waggelende kerels zwenkten brallend, met heesche dronkaardsstemmen
door de straat. De Stier en haar man, roerloos op den drempel van hun
huisje, keken het schouwspel een heele poos aan; en eerst toen de
vetpotjes waren uitgedoofd en de wilde joelbende eindelijk met
fakkels en muziek naar de dorpsplaats terugtoog, sloten zij in stilte
hun luiken en hun deurtje en doofden binnen alle lichten uit...

Verder was 't een vreemde, ongewone nacht. Er werd op straat
geschreeuwd, gezongen, gekeven, gevochten. Soms bleef 't een heele
poos doodstil en de menschen konden slapen; maar eensklaps weer
hoorde men allerlei rare geluiden: spotgelach, nabootsing van
hondengehuil, hanengekraai, kattengemiauw, getokkel met knokkels op
luiken, en af en toe een telkens weer herhaald., schor en
woestbrullend geloei, als van een gansche, dolle veestapel. Het was
een abnormale, gekke, rustelooze nacht.

* * * * *

's Ochtends, al van in de eerste vroegte, stonden de buren op den
loer.

Hoe zou het afgeloopen zijn? Allen waren ondeugend-benieuwd om de
Stier en haar man terug te zien.

Eerst tegen zes uur, toen het reeds volzonnig Augustus-daglicht
schitterde, werd een der groene luikjes van _Het Koffijhuis_ zachtjes
opengeduwd. Onmiddellijk daarna het tweede. Zij flapten met een kort
geluid tegen het witte muurtje aan en een hand zette de knipjes
vast. Toen ging insgelijks het groene deurtje open en "den nieuwen
boas" zooals de menschen hem noemden, verscheen even in zijn
hemdsmouwen op 't stoepje en staarde rechts en links de straat eens
vlugjes in.

--Dag Boas! Alles goed?" riep vroolijk, op een afstand, een der
buren.

De baas keek op, en, heel gewoon, even naar den buurman
hoofdknikkend:

--Ieste klasse! scheun weer, he?" antwoordde hij; en verdween in het
huisje.

Ietwat teleurgesteld, staken de buren de hoofden bij elkaar. Hoe zoo:
alles goed! He! wat vreemd! Zou de Stier dan toch, gewoon weg, als
elke andere vrouw... Maar wat had 't Kuipken dan zoo uit te varen en
zich aan te stellen of hij allerhande rare dingen wist die hij niet
zeggen kon!--Zij zelven voelden zich nu vaag belachelijk, met al hun
raar gefeest. Het geheimzinnig raadsel bleef althans onopgelost en
't leek wel of de Stier zelf hen allen voor den gek gehouden had.
Futloos, inwendig nijdig op het Kuipken, rouwend over 't geld dat zij
aan 't grapje verdaan hadden, trok elk naar zijn gewone bezigheden
terug.

Doodkalm en saai als altijd, verliep verder de dag. Tusschen elf en
Twaalf--het borreltjes-uur--gingen enkele kerels eens tot aan het
_Koffijhuis_ om er den raadselachtigen toestand in oogenschouw te
nemen. Verloren moeite. De man was kalm aan 't spitten in zijn
tuintje en de Stier ontving haar klanten met een
helder-onverschillig, strak gezicht, alsof er absoluut niets
ongewoons gebeurd was. De kerels waagden krasse toespelingen, doch
ook al vruchteloos: de Stier stond hun flink en onbeschroomd te woord
en zij mochten onverrichterzake weggaan. Zij trokken naar 't _Huis van
Commercie_, waar 't Kuipken, landerig en norsch, eenzaam-pijprookend
in de ongezellige gelagkamer zat.

--Hawel, ontvanger, wa zegt-e nou van de jonge treiwers? We zijn d'r
doar bij geweest. Alles es goed, zille!"

--Zwijg moar, zwijg moar!" bromde 't Kuipken bevend. "'K zegge dat
't 'n schande es! dat 't deur de wet zoe moese verboon worden!"

--Ha joa moar, ontvanger, ge 'n zijt toch nie rechveirdig! As da
vreiwemeinsch nou toch goest ha om te treiwen; en as ze nou mee
heure veint gelukkig es!"

--Zwijgt er van, zeg ik ulder! 't 'n Es nie meugelijk! 't 'n Es nie
meugelijk! Pouah! Pouah...!"

Meer was er niet uit te krijgen. Rillend-walgend schudde 't Kuipken
't hoofd voor alle verdere verklaringen.

En de buren, geheel en al van streek gebracht, wisten niet meer wat
ze moesten denken.

* * * * *

Eenige dagen verliepen. De diepteleurgestelde dorpelingen bleven de
Stier en haar man in 't oog houden. En een glans van ondeugende pret
kwam van lieverlede weer op de gezichten, want... het leek hun of
"den nieuwen boas" er toch niet zoo geheel tevreden uitzag. Hij zat
of liep daar doelloos in en om zijn herberg, nurksch, sprakeloos,
wenkbrauwen gefronst, blijkbaar uit zijn humeur. De buren kwamen vol
belangstelling kijken, trakteerden hem, maakten vertier in
't _Koffijhuis_, trachtten hem aan den praat te krijgen. Doch ook al
te vergeefs: niets liet hij los. En toch er moest iets zijn; er was
iets; want ook de Stier zag er nu veel minder kalm en
sterk-zelfbewust uit. 't Leek of ze bleeker en magerder werd en in haar
strakke oogen beefde nu soms een diep-schuilende uitdrukking van
zware droefheid. Maar evenmin als hij liet zij iets los. Haar lange
haviksneus stond als een klem midden in haar beenderig gezicht
gedrukt en haar manlijke mond met donkere snorrelip bleef stugger dan
ooit op haar vermoed geheim gesloten. Het werd wanhopig voor de
dorpelingen en reeds begonnen zij dien toestand als onveranderlijk en
niet eens langer belangwekkend aan te nemen, toen het eensklaps,
volkomen onverwacht, tot een openbaring en een oplossing uitbarstte.

* * * * *

't Was op een ochtend, tamelijk vroeg nog, midden in de saaie stilte
van het suffig dorp: Een man, "den nieuwen boas", wilddronken
waggelend in de straat, luid-schreeuwend het volk bij elkaar
troepend, schreeuwend, met dreigend naar zijn huis gebalde vuisten,
dat hij bedrogen was geweest, dat men hem voor den gek gehouden had,
dat die vrouw van hem, die Stier! die Stier! die Stier...

--Watte? Watte? Wat es er mee?" gilden de menschen, trillend van
ondeugende nieuwsgierigheid, hem de woest-hikkende woorden als het
ware uit den mond halend.

--Die Stier! Die Stier! Die Stier!..." herhaalde hij steeds
razender. Hij stikte in dat woord, hij schudde 't hoofd en zwaaide
met zijn knuisten; hij bralde 't uit van woede en teleurstelling,
hij stampte met zijn voeten en bulderde verwenschingen en
dreigementen, schreeuwend dat het er mee uit was, dat zoo'n huwelijk
niet telde en dat hij onmiddellijk alles wat hem toebehoorde in ging
pakken en ermede naar zijn dorp terugkeeren.

Pages:
1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10
Copyright (c) 2007. knowncrafts.net. All rights reserved.