Book: Lente
C >>
Cyriel Buysse >> Lente
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 | 8 |
9 |
10
--Wie lient er mij 'n peird en 'n kerre? 'K rij er direkt mee wig!"
brieschte hij.
't Was een geweldig opstootje. Een rumoerige bende liep dadelijk met
hem mee, begeleidde hem tot bij zijn huis,--meer en meer hem
opwindend en aanporrend om nu ook de Stier te zien verschijnen. Maar
de Stier vertoonde zich niet.
--'n Kerre!" gilde hij opnieuw. "Wie lient er mij 'n peird en
'n kerre? En wie helpt er mij ne moment om mijnen boel op te loan en
te verhuizen?"
Paard en kar werden hem beloofd en twee mannen boden zich terstond
aan om zijn goed naar buiten te sjouwen.
--Veuruit!" schreeuwde hij, in het schetterend gejoel der menigte
zijn deur ruw openstampend.
De kerels stoven met hem binnen. Twee tafels, een bed, een
kleerkast, enkele stoelen, een hoop kleeren en dekens werden midden
in het opgewonden-gichelend volk naar buiten gesjord, maar de Stier
bleef onzichtbaar.
Achter een dravend paard kwam de hossebossende kar over de hobbelige
straatsteenen aangerateld. In een oogwenk was het gansche boeltje
opgeladen; en, onder geweldig en bijna oproerig gegil en gejouw,
reed "den nieuwen boas", vloekend-vuistenballend, als een gek er mee
weg. Het was gebeurd als in een droom zoo vlug. De menschen keken
elkaar stomgapend aan toen hij verdwenen was; en dan weer staarden
zij verbaasd naar 't huisje, waar nu toch zeker wel de Stier zich
eindelijk vertoonen zou.
Maar de Stier was en bleef onzichtbaar...
Toen dropen zij ook allen langzaam af, drukopgewonden lachend en
pratend, tevreden aan den eenen kant dat zij nu eindelijk zonder nog
eenig mogelijken twijfel "wisten"; teleurgesteld ten andere, dat
alles zoo verbazend vlug en gek en, buiten de Stier om, was
afgeloopen.
--Och! 't es zottigheid! Hij zal hier morgen weere zijn.," meenden
de menschen.
* * * * *
Doch hij kwam in 't geheel niet terug... Dagen, weken, maanden
gingen voorbij en van "den nieuwen boas" werd zelfs niets meer
gehoord. 't Was of hij nooit bestaan had, en de Stier, stil in
zichzelf teruggetrokken, uitte verwijt noch klacht. De strakke
lippen stug op haar geheim gesloten, bediende zij als vroeger hare
klanten; en haar antwoord op onbescheiden uitvorschingen was steeds
onveranderlijk hetzelfde:
--Hij es hij zot geworden. Wa kan ne meinsch doar aan doen as iemand
zot wordt? Nog liever giene veint mier as ne zotte veint."
Maar de menschen lieten haar praten en grinniken. Zij wisten nu wel
beter...
't Kuipken, die zich in het ongezellig _Huis van Commercie_
doodelijk ergerde en verveelde was al dadelijk na de vlucht van "den
nieuwen boas" indirect begonnen met toenadering te zoeken. De Stier,
niet rancuneus, stak hem zelve de hand der verzoening toe; en, op een
avond, waren zij weer met hun beidjes, net als vroeger, in het
huisje, waar zij zooveel lange jaren samen hadden doorgebracht.
Geen wederzijdsche vragen, klachten noch verwijten. 't Kuipken, die
haar al dien tijd niet gezien had en haar veel verouderd en
vermagerd vond, vroeg enkel:
--Hoe goat 't er mee?"
En zij, hem even aankijkend, antwoordde, heel gewoon, alleen met
ietwat matte, trieste stem:
--O nog al goed; en mee ou?
--O, euk nog al goed.
Dat was alles. Over hem, die van haar weggeloopen was, werd geen
enkel woord gesproken. 't Kuipken ging zitten, even vaag-wantrouwig
om zich heen loerend, als vreemd nog in zijn eigen huis; en zij nam
sprakeloos het eten van de kachel en diende 't voor hem op.
--En gij? vroeg hij, verwonderd, dat zij haar stoel niet bijschoof.
--'K 'n he nie veel honger, antwoordde zij. 'K 'n goa nie anders as
'n potse kaffee drijnken.
Het Kuipken at en dronk, over zijn bord gebogen, met van ingehouden
ontroering af en toe nog lichtbevende vingers. De Stier, haar
kopje koffie in de hand, zat peinzend naast de kachel, met
strakstarende oogen. Groot was de stilte in het leege herbergje; en
stil ook was het buiten, in de donkere, leege straat.
--'t Es kaud geworden; 't 'n zoe mij nie verwonderen da we vust of
snieuwe kregen, zei 't Kuipken, na een lange poos.
--'t He passeerde nacht al 'n klein beetse wit gevrozen en van den
achternoen he 'k uit alle veurzichtigheid onz' eirdappels mee streud
doen dekken, antwoordde zij.
--Onz' eirdappels!... zacht deed dat woord hem aan; zoet klonk het
in zijn ooren. "Onze"... dat was dus weer van haar en hem en niets
meer van den vreemden indringer die weggeloopen was.
Het Kuipken had gedaan met eten, hij stak zijn pijpje aan,
genoeglijk smakkend en ging, als vroeger, met uitgestrekte beenen op
zijn aloude plaats, aan de overzijde van de warme kachel zitten. Hij
was er weldra ingesoesd. Op den kerktoren sloeg het negen uur en
onmiddellijk daarna luidde de nachtrust in. Hij trok zijn kleine
oogjes slaperig half open.
--Wat dijnkt ou? Zoen we nie goan sloapen? stelde hij voor.
--O, ba joa, e-woar; 'k zal moar sluiten, antwoordde zij.
Zij stond op en verdween in 't gangetje, om buiten de luikjes en de
voordeur dicht te doen.
Toen ze na een oogenblik terugkwam, waren haar hoofd en schouders
dicht met witte sterretjes en stippeltjes bepoeierd. Een hing er in
haar snor, dat dadelijk tot een kristal-traantje versmolt.
--Kijk kijk! snieuwt het woarachtig al? riep hij verwonderd.
--Joa 't en 'k geleuve dat ze 'r dikke zal vallen, knikte zij.
Zij schudde zich af, stak, in groen-aarden kandelaars, twee kaarsen
aan, draaide de groote hanglamp uit, en liet hem voor, over de trap,
naar boven. Hij kreunde een beetje, door de inspanning van
't stijgen. Het dansend kaarslicht wierp gedrochtelijk hun groote
schaduwen over de witte muren.
Boven op 't portaal waren twee deurtjes, links zijn kamer, rechts de
hare. Hij durfde niet goed om te kijken. Dat was de kamer waar zij
met hem, den indringer, den vreemdeling, den vijand, die het al had
aan de groote klok gehangen... ach ach!... Hij schudde 't hoofd en
zuchtte onmerkbaar, terwijl hij, met den kandelaar in de hand zijn
deurtje openduwend, haar "sloapwel, Fliesta" wenschte.
--Sloapt euk wel, Binus, anwoordde zij met haar gedrukte, matte
stem.
Het gele schijnsel van de beide kaarsen danste spokig door elkaar op
't smal portaaltje en in de open deurtjes, en toen werd alles
plotseling heel stil en donker.
Buiten sneeuwde 't zacht en overvloedig nu, met groote, dikke
vlokken...
VII.
BEROUW.
Dit is 'n heel zware en droeve obsessie geweest...
'n Kort, viezig zijstraatje, aan 't uiteinde van 't dorp. Rechts,
niets dan de hooge, witte, blinde muur van een groot heerenhuis.
Links vier kleine, lage, aan-elkaar-gebouwde werkmanshuisjes in
vuilgrijzen steen, met dofgroene luikjes.--Het is er somber, kil,
treurig, modderig. Haast nooit komt er een zonnestraaltje in de
vieze, altijd natte greppels glimmen.--Maar, even voorbij den
blinden muur en de huisjes, ontvouwt zich in zijn breede
heerlijkheid het vrije veld; en daar is 't eensklaps alles
vol-gezonde ruimte van blijde zonnigheid!
Daar wuiven en golven, zacht-streelend door den milden wind geaaid,
de frissche groene lentenkorenvelden; daar kronkelt blond de breede
zandweg naar het blauwachtig verschiet, onder den hoogen,
zonnigblauwen hemel met zijn glinsterwitte wolken. Daar zingen de
vogeltjes en geuren de bloempjes; daar stralen de oogen en blozen de
wangen; daar gaan de zwaar-benauwde longen, in breed-gezonden
rythmus, halend open...
Vier kleine, lage, grijs-en-groene trieste huisjes: drie met deur en
luikjes open; een met deur en luikjes dicht-gesloten. Aan beide
kanten van dat dichte deurtje staat een vaalverkleurd, tegen de
luikjes aangeleund, langwerpig-vierkant zwart vaandel, met
dof-zilveren doodshoofd in het midden en dof-zilveren franjes als
omlijsting. Op den drempel van het huisje ligt een geel, strooien
kruis, met een rooden baksteen er op neergedrukt.
In dat huisje is een doode.
* * * * *
Het was een lange, magere, bleeke jongen. Ik heb hem goed gekend.
Hij heette Jules. Hij had een vreemd, ongunstig uiterlijk, met iets
valsch en gluiperigs in de oogen; en hij had ook een heel slechte
reputatie: de reputatie van een luiaard, een dief, een dronkaard,
een vechter en bijna een moordenaar.
Die kwade naam was verdiend. Hij was lui,
hij stal, hij dronk, hij vocht. Zijn vader--een timmerman--bij
wien hij heette te werken, doch met wien hij het niet vinden kon,
stuurde hem eindelijk het huis uit. Hij dwaalde, dompelde, verviel
van kwaad tot erger. Nu moest hij wel van roof en diefstal leven,
want nergens, al had hij 't ook gewild, zou hij nog werk gekregen
hebben. Herhaaldelijk werd hij in gezelschap van een beruchte
dieven-en stroopersbende gezien, en geen schurkenstreek werd in het
dorp gepleegd, of 't heette dat ook hij er schuld in had. Het heette
zoo, maar was toch niet bewezen, daar hij nooit op heeterdaad
betrapt werd en niemand ook beslist-bezwarende getuigenissen tegen
hem kon inbrengen. Veldwachters, koddebeiers en gendarmen waren er
nog nooit in geslaagd hem gerechtelijk te doen veroordeelen. Hij was
sluw en slim; telkens weer ontglipte hij, als een aal tusschen de
mazen van een net. Nog voor geen cent was hij beboet; nog geen uur
had hij in de gevangenis gezeten.
Toen gebeurde die beruchte aanslag op een rijken boerenzoon, die
's avonds van de stadsmarkt terugkomend, door drie kerels aangerand,
geplunderd en half dood gevonden werd. De man genas en beschuldigde
uitdrukkelijk Jules als een van zijn aanranders.
Met onverholen vreugde kwamen de gendarmen hem halen en 't gansche
dorp verademde en juichte:
"Ha, eindelijk is de schelm toch gepakt!"
Hij was er niet bij geweest, beweerde hij. Hij was dien avond, tot
tamelijk laat in den nacht, bij zijn lief gebleven en daarna, zooals
hij dikwijls deed, in een boerenschuur gaan slapen. En hij voegde er
bij, met een zonderlingen, raadselachtigen glimlach, een glimlach van
bijna naieve oprechtheid en bedeesdheid, als schaamde hij zich voor
deze in zijn mond zoo vreemd en onverwacht klinkende woorden:
--'K he mij gebeterd, 'k wirke, 'k goa treiwen."
De gendarmen stelden een onderzoek in. Zij vernamen dat Jules dien
avond werkelijk bij een meisje had gezeten dat den naam had van zijn
lief te zijn. Maar 't meisje was er een uit de beruchte dievenbuurt;
hare getuigenis leek eenigszins verdacht en de aanslag was ook
trouwens midden in den nacht gepleegd. Waar had hij dien nacht dan
verder doorgebracht, nadat hij van zijn lief was weggegaan.
--Wel, in de boereschure woar da 'k gesloapen he!" herhaalde Jules
een beetje snibbig. En hij noemde den boer aan wien de schuur
behoorde.
Dat kwam uit. De boer getuigde dat de jongen dikwijls in die schuur
ging slapen. En 't kwam ook uit dat hij sinds een tijd geregeld
werkte, en zijn geld opspaarde, en niet meer dronk. Doch de
gendarmen schudden 't hoofd en grinnikten wantrouwig. Niets belette
dat hij 's nachts toch ongezien weer uit de schuur gekomen was om
met de anderen zijn slag te slaan; en overigens: dat slapen in
schuren behoorde bij een ongebonden landloopersleven en geenszins
bij de fatsoenlijke levenswijze van iemand die eerlijk aan zijn
brood wenscht te komen. Waarom sliep hij als een vagebond in de
schuren? vroegen de gendarmen.
--Om er 't geld van mijn huishure mee uit te spoaren," antwoordde
Jules.
De gendarmen spotlachten. Haha! dat was er een eigenaardige manier
van sparen! Waar zou het op gaan lijken in de wereld, als iedereen
zoo redeneerde!
--'t Es toch azeu! 't Es de zuivere woarheid!" bevestigde Jules met
nadruk.
--Ge bezit dus al wa geld?" vroegen de gendarmen.
--Joa ik," zei Jules.
--Woar es 't?"
--Mijn meisken bewoart het, om er ons meubels mee te keupen en ons
huizeken van t' huren."
Zij deden huiszoeking bij 't meisje en vonden er 't geld: een paar
honderd frank in mooie zilverstukken.
Het aan den rijken boerenzoon ontstolen geld bestond in
bankbriefjes. Maar dat bewees niets: zij konden 't uitgewisseld
hebben. Jules werd met den boerenzoon geconfronteerd.
--'t Es hem! 't es hem!" verzekerde deze. "Ze woaren ulders
gedreien, twie kleine en ne greuten. Hij es de greuten!"
--Ge liegt!" gilde Jules, bleek en bevend van woede.
--'t Es hem! 't es hem!" herhaalde de boer met onverstoorde
overtuiging.
--'K zegge dat ge liegt, gie sloeber!" bulderde Jules.
De gendarmen drongen niet aan. Zij lieten Jules los, maar hun
overtuiging stond onomstootbaar vast. Jules was een der daders en
proces-verbaal werd tegen hem opgemaakt.
* * * * *
Eenige weken verliepen. Jules, sterk door zijn onschuld, werkte
rustig en geregeld voort, spaarde zijn geld, bracht iederen avond bij
zijn meisje door en sliep daar waar hij plaats kon vinden, in de
boerenschuren, om te bezuinigen. Toen ze genoeg hadden om te beginnen
huurden zij een van de vier kleine huisjes in het zijstraatje, en
trouwden.
Zij waren pas veertien dagen getrouwd, toen Jules voor de
correctioneele rechtbank in de stad gedagvaard werd. Men had hem
aangeraden een advocaat te nemen, maar hij deed het niet. Waarom zou
hij nutteloos geld verspillen dat hij nu juist zoo hoogst noodig
had?
Voor de rechtbank herhaalde de boerenzoon zijn formeele
beschuldiging en Jules, met moeilijk ingehouden toorn en sterken
nadruk, zijn nog formeelere ontkenning. Getuigen verschenen, die het
allen eens waren om Jules' slecht gedrag en ellendige antecedenten
te bevestigen, al moesten zij er bij bekennen dat hij zich scheen
berouwd te hebben en sinds zijn huwelijk een vrijwel onbesproken
leven leidde.
--Achte gulder hem in stoat zulk een misdoad bedreven t' hen?" vroeg
de voorzitter om de beurt aan allen. En allen zonder een oogenblik
te aarzelen, affirmeerden dat zij er hem volkomen toe in staat
achtten.
Deze getuigenissen, gevoegd bij de nogmaals uitdrukkelijk-herhaalde
beschuldiging van den aanklager, bleken afdoende. Jules werd tot een
jaar gevangenisstraf veroordeeld en op staanden voet aangehouden.
Iedereen, in 't dorp, vond het een welverdiende straf.
* * * * *
Ik weet niet,--en niemand heeft eigenlijk ooit geweten,--wat aan
Jules' hart sinds dat oogenblik geknaagd heeft. Na zeven maanden
onberispelijk gedrag werd hij uit de gevangenis ontslagen en kwam
op een avond in 't dorpje terug. In het triestig klein huisje met
de grijze muren en de dofgroene luikjes vond hij zijn jonge vrouw
met een klein kindje, dat in zijn afwezigheid geboren was.
--Hier ben ik!" glimlachte hij vreemd-droogjes. En aan zijn vrouwtje,
dat zoo bitter schreide, gaf hij 't beetje geld dat hij in de
gevangenis verdiend had en nam het kindje op zijn schoot, in lang,
verrukt aanstaren.
--Hoe hiet het?" vroeg hij zacht, met van ontroering heesche stem.
--Jules... Julken," snikte zij.
--Julken... Julken..." streelde hij. En hij kittelde de kuiltjes van
het wichtje, dat hem even met glanzend-blijde oogjes toelachte...
* * * * *
Zijn leven werd heel kalm, heel stil, heel eenzaam. Hij werkte
gansche dagen, sprak weinig, zat doorgaans, in zijn schaarsche
rusturen, droomerig te peinzen en te staren, als verdiept in verre,
verre gedachten.
--'t Kot he hem goe gedoan," meenden de menschen. "Hij he bereiw,
hij es broave geworden."
* * * * *
Dikwijls heb ik geprobeerd hem aan de praat te krijgen, want zijn
geval interesseerde mij en ik was van lieverlede een vreemde
sympathie voor hem gaan voelen. Maar nooit is het mij mogen
gelukken. Na een paar korte zinnetjes brak hij telkens het gesprek
met zwijgen af en over zijn bleeke wangen kwam dan soms als 't ware
een teere kleur van pijn of schaamte. Nooit heb ik hem bitter hooren
klagen, razen of verwijten doen. Voor vrouw en kind was hij
uitnemend zacht en goed. Aan omgang met wie ook, buiten zijn gezin,
scheen hij in 't geheel geen behoefte te hebben. Hij was niet bang,
hij was niet boos, hij was niet valsch noch nijdig: ik weet niet hoe
het met hem was.
Alleen was er iets vreemd, iets macabervreemds aan hem. Altijd had
hij, op den zolder waar hij nu gansche dagen timmerde, kant en klaar
eene wit-houten doodkist, een armemenschen-doodkist staan. Zij stond
daar, griezelig-bleek in 't schemerachtig zolderlicht, scheef tegen
den muur geleund onder de dakpannen, en bleef er staan, tot ze,
verkocht, door iemand werd weggehaald. Dan maakte hij er
onmiddellijk een nieuwe voor in de plaats.
--Och alweer 'n nieuwe deukiste!" klaagde dan zijn vrouw, die dat
gezicht zoo akelig vond. "Woarom 'n wacht-e toch niet tot da ze
gevroagd worden?"
Hij glimlachte vreemd en staarde, sprakeloos, in gedachten. Ginder
in de gevangenis, had hij gedurende zeven maanden niets anders dan
doodkisten, dan wit-houten arme-menschen-doodkisten gemaakt. Het zat
hem in den geest en in de handen. Het was een manie, een obsessie
van zijn hersenen geworden. Hij had er gemaakt, zooveel, zooveel dat
hij er wel een kerkhofje mee had kunnen vullen. En misschien zag hij
het in verbeelding, dat kerkhof, vol, vol met van die lange, smalle,
witte kisten onder 't groene gras.
--Ge zie wel da ze gevroagd worden; da wordt altijd gevroagd," was
eindelijk zijn stilgeheimzinnig antwoord.
En meer was er niet uit te krijgen...
* * * * *
... 'n Kort, viezig zijstraatje, rechts de hooge, barre muur van het
groot heerenhuis; links de vier kleine werkmanswoninkjes met de
grijze muurtjes en de groene deurtjes en de groene luikjes, waarvan
het tweede nu gesloten is, met het strookruis en den baksteen op den
drempel, en de vaal-verkleurde, zwarte vaandels met de doodshoofden
en zilveren franjes voor de dichte, groene luikjes...
Heel stil, zonder verwijt noch klacht, als een kaars die langzaam
uitbrandt, is hij doodgegaan. Wat hij gehad heeft weet niemand, wat
hem 't hart verknaagde kent geen mensch. Armoede,... stil
verdriet... kwijnende ziekte... wie zal het zeggen? Berouw, meenen
de dorpelingen. Maar wat weten de dorpelingen! Hij ligt daar, in een
van die wit-houten arme-menschen-kisten, die hij altijd maar op
voorhand timmerde, omdat hij er zooveel getimmerd had, en er nog
altijd meer moest timmeren...
Wat doet nu, in de schemering van 't doodgesloten huisje, de jonge
vrouw met het klein kindje? Zit ze daar gebroken-snikkend in het
stille, leege kamertje, of dwaalt ze doelloos rond, met
uitgeschreide, zwakke oogen, niet wetend wat ze zoekt? Ligt
't kindje zachtjes slapend in zijn wieg? Of speelt het rustig in
zijn stoeltje met wat karig speelgoed, dat het in de halve
duisternis bijna niet ziet?--Het is er alles zoo stil! Geen klank,
geen zucht, geen adem komt naar buiten.
Alleen de frissche lentewind waait streelendzoet over de wijde
velden. In stillen ondertoon zingt hij zijn eeuwigdurend lied. De
groene korenaren schommelen en wuiven, als 't ware stoeiend onder
lang-strijkende golvingen; de blonde zandweg kronkelt eenzaam naar
stille verten; en in den zonneblauwen hemel drijven, o zoo hoog en
puur en glinsterwit, fantastische drommen van donzigzachte en lichte
wolkjes...
VIII.
PEETJE PRUIS.
In 1870, op het oogenblik dat de oorlog tusschen Frankrijk en
Duitschland uitbrak, was de toenmalige Pruische Koning Wilhelm, in
Vlaanderen, op 't platteland althans, een vrijwel onbekende figuur.
Men kende er beter den Franschen Keizer, zooals de gekleurde platen
hem voorstellen: dikke snor, zware sik, doffe, ietwat trieste oogen,
en het breed, rood dwarslint van het Legioen van Eer.
Maar niet zoo gauw waren de eerste, wreede veldslagen door de
Duitschers gewonnen, of ons land werd overstroomd met afbeeldingen
van Duitsche generaals en vorsten. Bismarck, Moltke, prins Friedrich
Karel, de kroonprins, de Koning, al hun portretten vulden onze
geillustreerde bladen en de menschen zochten gelijkenissen: die
welbekende, stoere boer, uit een of ander ver gehucht, leek
eenigszins op Bismarck; dat oud, gebogen ventje uit het
Armenhuis op Moltke, die handelsreiziger, die om de zooveel weken
met zijn pakje in het dorp kwam, op Prins Friedrich Karl... En zoo
was er ook een op ons dorpje, die leek, die sprekend leek op Koning
Wilhelm.
Het was een welgestelde rentenier die aan het uiteinde van 't dorp,
met vrouw en dochter, een opvallend buitenhuis bewoonde. Ik zie het
nog zooals 't in dien tijd was: een hoog, wit gebouw, met
gestucadoorden voorgevel, mooie, heldere ramen en fijne, lichtroze
persiennes. Een frisch lief bloementuintje, vol zonnige, heldere
kleuren, lag er verdeeld in keurig-onderhouden perkjes achter het
ijzeren hek met vergulde piekens langs den straatkant; hooge,
donkergroene sparren, waar de wind in wuifde en suisde, stonden, als
sombere reuzenschermen, aan de zijkanten; en achter het huis strekte
zich een heel groote, mooie lusttuin uit, met oude pracht-boomen en
fluweelzacht-golvende gazons.
Hij was een welgestelde rentenier, zonder meer. Hij droeg den niet
bizonderen naam van Amede Fruytier. Hij hield van lekker eten en
drinken, hij ontmoette zijne vrienden in de dorpsherbergen, hij las
iederen dag, van 't begin tot het eind, een paar couranten.
Hij bemoeide zich niet met politiek, al had hij wel zijn politieke
opinies, en was ook geen lid van den gemeenteraad, al wist hij heel
precies te zeggen hoe de gemeente had moeten beheerd worden. Hij was
er trotsch op, dat hij geheel onafhankelijk, en daardoor boven en
buiten alle partijen stond.
--Ik, zei hij, zijn stramme gestalte verwaand achteroverhellend,
als de menschen hem soms vroegen waarom hij, die zoo rijk was en
zooveel verstand had, zich met niets wilde bemoeien,... ik ete thuis
op mijn gemak mijn kieken op en drijnke mijn flassche wijn uit en
veurt van de rest 'n kan den boel mij nie tichelen."
Toch was hij geen bepaald hardvochtig man. Hij kon soms iets
goed-ruws hebben. Hij deed dan wel heel barsch en sprak wel heel
kort van zich af, maar 't was soms om een diepere emotie te
verbeteren. Alleen was hij ijdel, ongeloofelijk, kleinkinderachtig
ijdel!
* * * * *
Toen de oorlog uitbrak, had hij dadelijk, beslist en scherp, partij
gekozen voor de Franschen. Ditmaal vond hij 't toch wel de moeite
waard om er zich warm voor te maken.--De Duitschers, pouah! wat 'n
volk! Niks waard! Prullen! Niks! Ze zouden niet weinig op hun kop
gaan krijgen! Hij schold er op, 's avonds in de herberg, met zijn
vrienden, die hem maar zelden durfden tegenspreken, omdat hij de
rijkste van het dorp was. En met grijnzend welgevallen las hij hun,
uit zijn dagblad, de eerste, den Franschen gunstige oorlogsberichten
voor.--Ja maar, en dat was nog slechts een begin! Nu trok de Keizer,
Louis Napoleon, naar het oorlogsterrein en 't zou nog heel wat anders
worden, zoodra die zelf het heft in handen nam!
Hij prononceerde: "Lowie Napoleon" en hij sprak over den Franschen
Keizer op een familiaren toon, alsof hij hem persoonlijk goed kende.
Lowie Napoleon zou dit, Lowie Napoleon zou dat; Lowie Napoleon had
zijn plan, dat slechts door heel enkelen gekend was; en meneer
Fruytier liet duidelijk genoeg verstaan, dat hij onder die heel
enkele bevoorrechten behoorde.
Toen vielen de harde, bittere klappen: Weissenburg. Worth,
Froeschwiller; en onze geillustreerde bladen, die eerst niets dan
Fransche portretten gaven, kwamen vol met Duitsche plaatjes. Zoo zag
meneer Fruytier voor 't eerst het konterfeitsel van Koning Wilhelm en
de gelijkenis met zich zelf trof hem ineens, overweldigend.
Het was datzelfde barsch voorkomen, die stuursche oogen, die sterke
kaken, die grijze, dikke bakkebaarden, die zware snor. De kin van
den Pruisischen vorst was geschoren--dat was het eenige verschil--en
toen meneer Fruytier even met de hand het haar van zijn kin wegduwde
en zich in den spiegel bekeek, werd de gelijkenis zoo treffend, dat
hij voor zijn eigen beeld in een lach van ijdelheid uitbarstte. Hij
kwam bij zijn vrouw en dochter, legde hun het plaatje voor oogen,
streek met de hand zijn kinbaard weg, keek haar stuursch aan en
vroeg:
--Zie-je gien gelijkenesse?"
--Ha moar Hiere toch!" riepen moeder en dochter te gelijkertijd,
door het evenbeeld getroffen.
En mevrouw werd er haast bang onder.
--O! da ge nou moest in Frankrijk leupen!" huiverde zij.
--Watte!... Wa zoen ze doen!" riep hij, trotsch zijn gestalte
achteroverhellend.
--Wel! ou deudschieten, natuurlijk!" angstigde mevrouw met
verschrikte oogen.
--Peuh!... mient-e dat de keunijnk van Pruisen hem zoe loate schieten
lijk 'n mussche dan!" zei hij minachtend.
* * * * *
Dien morgen ging hij een half uurtje vroeger dan anders in de gewone
"stamenees" zijn "dreupelkes pakken". Zijn oogen lachten
Schalksch van innige pret, zijn koonen bloosden, hij kwam bij zijn
vrienden, haalde 't geillustreerde blad half dichtgevouwen uit zijn
zak, streek de haren van zijn kin weg en liet hen naar het
konterfeitsel kijken, terwijl hij grinnikte, ijdel als een kind:
--Hm! He-je 't al gezien? Mijn portret in de gazette? Hm? Hoe vindt
ge 't?"
--O! gie verdeeke! Hoe komt-e gij doar in te stoan?" verbaasden zich
de vrienden, om de beurt het afbeedsel met meneer Fruytiers gezicht
vergelijkend.
--Hm? Hoe vindt ge 't? Lijkt het?" herhaalde hij, opgeblazen van
trots en pret.
Tot hij plotseling, schoklachend, het blad geheel ontvouwde en hun
liet zien wat onderaan stond:
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 | 8 |
9 |
10