Book: Lente
C >>
Cyriel Buysse >> Lente
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 | 9 |
10
Willem I, Koning van Pruisen.
--Watte! Peetje Pruis! Es dat 't portret van Peetje Pruis? gilden de
vrienden.--O, moar, menier Fruytier, 't gelijkt op ou lijk twie
dreupels woater! Scheirt ouen board op oue kinne wig en iederien zal
mienen dat ge Peetje Pruis zijt!"
* * * * *
Van dat oogenblik af ontstond er een kentering in menier Fruytiers
buitenlandsch-politieke gevoelens.
Zonder bepaald op Lowie Napoleon af te geven, die zeer zeker een
beste kerel, maar helaas heel zwak van karakter en door heel slechten
invloed beheerscht was, begon hij van lieverlede te smalen en te
mopperen op de Fransche generaals en 't Fransche leger; en het duurde
niet lang of de sympathieen van meneer Fruytier en met de zijne ook
die van zijn vrienden-aanhoorders, welke den natuurlijken invloed van
het sukses ondergingen, waren totaal omgekeerd. Voortdurend kwam hij
aanzetten met nieuwe courantjes, allen Duitschgezind nu, en hij
grinnikte van pret bij iedere Fransche nederlaag, om zijn
voorspellingen die telkens uitkwamen, terwijl hij meer en meer, op
familiair-vertrouwden toon ging spreken over 't Duitsche leger, over
de Duitsche generaals en ook over den Pruisischen Koning, dien hij
weldra zoo intiem scheen te kennen als hij destijds Lowie Napoleon
gekend had. Ook begon hij uiterlijk meer en meer op de alom
verspreide konterfeitsels van den duitschen vorst te lijken. Zijn
houding was voortdurend stram-martiaal, zijn oogen keken barsch en
stuursch, zijn woord klonk kort, gebiedend, cassant; en 't leek ook
of de haren op zijn kin begonnen te verkorten en te dunnen, terwijl
integendeel de grijze bakkebaarden breeder uitgroeiden. Zijn vrienden
merkten het, maakten er hem attent op, zeiden leuk-glimlachend:
--Verdeeke! menier Fruytier, ouen board valt uit op oue kinne. Nou
wordt-e percies Peetje Pruis!"
--Joa, vindt ge?" zei hij, kinderachtig in zijn ijdelheid
gestreeld. Maar hij wist het best, evenals hij wist dat iedereen, in
't dorp, hem nu Peetje-Pruis noemde. En hij vertelde hun dat hij
wel vreesde iets aan de kinneharen van zijn baard te hebben. Het
deed hem soms pijn, daar; ze braken af en vielen uit, hij dacht
erover om eens een specialiteit te gaan raadplegen.
--Scheir ze liever af, ge'n zilt er gien last mier van hen." raadden
zijn vrienden hem aan.
Ik herinner mij nog de sensatie in 't dorp, toen meneer Fruytier, op
een ochtend, achteroverhellendfiks van hoogmoed, met geschoren kin
in de straat voorbijging. De menschen kwamen op hun drempels om hem
na te kijken. Ik zie hem nog de stoep van "Het Huis van Commercie"
beklimmen, zich daar even, als een Koning, naar het volk omkeeren,
en statig, strijkend aan zijn grijze bakkebaarden, in de herberg
verdwijnen.
--O! Peetje Pruis! Peetje Pruis!" riepen de menschen. En een vreemde
huivering van ontzag en haast van angst liep door de menigte.
Dat was daags na den veldslag van Sedan!... Hij had de krant met het
ontzettende nieuws in zijn zak; hij haalde ze te voorschijn,
ontplooide ze statig, las het aan zijn vrienden voor.
--_We_ zijn d'r!" zei hij... _W'_ hen Lowie Napoleon vaste? _We_ 'n moen
nou moar op ons gemak veuruit goan en binnen veertien doagen valt
Parijs in onz' handen"...
O! die weerklank in ons land van de tragische gebeurtenis!...
't Zijn van mijn verste herinneringen, maar nog voel ik de
koortsachtige opgewondenheid die alleman overweldigde!
De sensationeele berichten zwollen tot de
proporties van een algemeene wereldramp, die ook ons zou komen
aantasten. Tot in het hart van Vlaandren beweerden sommige menschen
het kanongebulder te hebben gehoord; men had den grond voelen
dreunen en 's avonds zagen de angstig-verwilderde oogen van de
dorpelingen reusachtig-breede bloedvlekken aan den hemel. Men sprak
van meer dan honderd duizend dooden en gekwetsten; en wie niet al te
bang was of verafschuwd, en er geld en tijd en moed voor over had,
maakte plannen om dat gruwel der gruwelen ter plaatse te gaan zien.
* * * * *
Zooals van zelf spreekt was meneer Fruytier een van de eersten. Hij
kondigde 't plechtig voor zijn vrienden aan, dienzelfden avond, in
de "stamenee" "Het Gouden Zulleken" en deelde 't opgewonden bij
zijn thuiskomst aan zijn vrouw en dochter mede:
--Moak mijne koeffer geried; 'k vertrekke morgen noar Sedan!"
--Och Hier och God! dat 'n mient-e toch niet!" vlogen moeder en
dochter ontsteld overeind.
--Nie mienen!... Ha ge zil wa goan zien!" bravoerde hij, met een
beweging naar de deur of hij al vast zelf ging inpakken.
Zij snelden naar hem toe, verperden hem den weg, klampten zich
smeekend, snikkend aan zijn kleeren.
--O, nie, man, o, nie, Pa as 't ou b'lieft 'n doet dat toch niet! Ze
goan ou ginter deudschieten!"
--Mij deudschieten! 'k Neme mijn jachtgeweire mee!" pochte hij.
--O man, o, Pa, as 't ou b'lieft! as 't ou b'lieft! as 't ou
b'lieft!"
--Loat mij los!" krijschte hij, eensklaps woedend, opgewonden en
vechtlustig. "'K wil d'r noartoe!"
--O, wacht te minsten nog nen dag of twiee, nog ienen dag! nog nen
halven dag!" smeekte zijn vrouw. "Wacht te minsten tot morgen
uchtijnk, tot da we gelezen hen wat dat er in de gazet over
geschreven stoat!"
Na oneindig veel moeite liet hij zich ten slotte tot dit laatste
overhalen.--Goed. Hij zou wachten tot den volgenden ochtend. Maar
zijn valies moest al vast gepakt worden en, zoodra hij 't laatste
nieuws in de courant gelezen had, zou hij vertrekken. 't Was en
bleef onherroepelijk; hij moest, hij wilde er naartoe. Hij had het
plechtig, aan al zijn vrienden in het "Gouden Zulleken" beloofd.
Ongetroost holden moeder en dochter naar boven om zijn kleeren in te
pakken, terwijl hij zelf, koortsachtig opgewonden, zijn jachtgeweer
van den wand afhaakte en zijn tasch met patronen voorzag.
* * * * *
Den volgenden ochtend waren de dagbladen, van 't begin tot het eind,
met de verhalen van den schrikkelijker veldslag gevuld.
Reeds voor het ontbijt begon meneer Fruytier hardop te lezen. Vrouw
en dochter, die den ganschen nacht niet geslapen hadden, zaten op
hun stoel te beven. Dat duurde uren in steeds stijgende, spannende
aandacht. Meneer Fruytier nam nu en dan een haastige hap van zijn
brood en een slok van zijn koffie, die ijskoud werd. Anais, de
dochter gaf wel af en toe blijken van vermoeidheid en staarde naar
de deur alsof zij op wou staan, maar telkens zond de moeder haar,
met strenggefronste wenkbrauwen, een gebiedenden blik, om haar te
doen blijven. 't Was immers tijd gewonnen. Terwijl hij las kon hij
geen toebereidselen tot vertrek maken.
Eindelijk las meneer Fruytier, toen de heele courant bijna uit was,
het volgende sensationeel bericht:
"Duizenden en duizenden soldaten van het
"Fransche leger komen onophoudelijk over de
"Belgische grens gevlucht. Velen zijn gewond
"en allen verkeeren in een allerdroevigsten
"toestand van uitputting en ellende. Zij worden
"onmiddellijk ontwapend en zoo spoedig mogelijk,
"per spoorweg, naar verschillende plaatsen
"van het land gedirigeerd. Gisteren avond
"vertrokken drie stampvolle treinen naar Luik,
"twee naar Namen, twee naar Brussel en twee
"naar Antwerpen. Morgen ochtend vroeg worden
"er ook twee naar Gent gestuurd, waar
"zij vermoedelijk tusschen vier en vijf in den
"namiddag zullen aankomen."
Mevrouw Fruytier kreeg plotseling een inval:
--O, man, loat ons doar te goare goan noar kijken!" riep zij.
Meneer Fruytier legde zijn krant neer en staarde zijn vrouw
strak-roerloos al over zijn brilglazen aan.
--En mijn reize noar Sedan?" zei hij.
--Wa goa-je ginter zien? Niets mier! Natuurlijk alles afgezet deur
troepen! Morgen, te Gent, zilt-e veel mier zien!" verzekerde mevrouw
Fruytier.
Hij aarzelde even. Zij voelde hem aarzelen.
--Loat ons al te goare goan, mee ou vrienden d'r bij. Die zillen da
euk wille zien," drong zij aan.
"'K goa 't ulder vroagen!" riep meneer Fruytier, eensklaps
opgewonden overeind staande.
* * * * *
't Was als een kermisdag in Gent...
Met duizenden en duizenden waren de nieuwsgierigen gekomen, uit alle
gewesten van Vlaanderen, om dat eenig schouwspel bij te wonen: de
aankomst der krijgsgevangen vluchtelingen en gekwetsten uit Sedan.
Krioelzwart waren 't groote stationsplein en al de straten er
omheen. Rijtuigen konden er niet meer door, de politie was
overrompeld, en alleen de gendarmen te paard slaagden erin nog een
betrekkelijke orde te handhaven.
Meneer Fruytier stond in de eerste rij, met zijn vrouw en dochter,
elk oogenblik geperst, gedrongen en gestooten. Zijn kin was pas
geschoren, zijn bakkebaarden stonden uit, zijn oogen blikten
gezagvoerend-stuursch, zijn gestalte rees martiaal-fiks achterover.
Hij had geen seconde getwijfeld of zijn verschijning zou een enorme
sensatie verwekken; doch het viel tegen, geen mensch lette bizonder
op hem, geen een scheen door de sprekende gelijkenis getroffen; en
't maakte meneer Fruytier inwendig nijdig en woedend. Wat waren dat
voor stomme lui die zoo iets frappants niet merkten! Hij voelde zich
gekrenkt en vernederd tegenover zijn vrienden en voortdurend verweet
hij op bitteren toon aan zijn vrouw en zijn dochter dat zij hem
verhinderd hadden naar Sedan te gaan.
--Wa es da hier? Wa gelijkt da hier? T'n es hier niets te ziene!"
bromde hij.
--'n Beetse passiencie, man, 'n beetse passiencie, Pa, smeekten
vrouw en dochter, die, tegen haar zin meegekomen, in de benauwende
menigte bijna stikten.
Dat duurde eindeloos lang, in angstig-toenemende woeling en drukte.
Toen ging er plotseling als 't ware een golfslag over 't gekrioel
der menigte; en iets naderde, door een troep gendarmen te paard
voorafgegaan en door ontelbare politieagenten met getrokken sabels
rechts en links omlijst.
De Fransche krijgsgevangenen!...
Eensklaps een plechtige, doodsche stilte in plaats van het woelend
rumoer! Eenieder roerloos, zonder dringen, door eerbied en emotie,
met wijdangstige oogen aan den grond genageld. Eenige lui, op
't stationsplein, ontblootten, als voor een lijkstoet, hun hoofd; en
machinaal werden daarop alle hoeden afgenomen.
Daar waren ze!... Gele, uitgemergelde gezichten, bleeke of donkere,
hol-starende oogen; lange, zwaarhangende snorren over ongeschoren,
ingekrompen, weggetrokken wangen! Het rood en blauw der uniformen
was verkleurd, verscheurd, verregend en verschroeid; de epauletten
hingen afgezakt in vale rafels; de shako's waren ingedrukt; de
bloote, gore, struikende voeten barstten uit de ros-en-grauw
geworden, gapende schoenen. Armen werden in vuilgrijs linnen verband
gedragen; bebloede doeken omwonden gekorven gezichten; en af en toe
kwam er, gedragen door vier mannen op een lage berrie, een
lang-en-platuitgestrekte gedaante voorbij, het gele hoofd met dichte
oogen op een wit-en-blauw-geruit kussen, machteloos en roerloos als
een lijk.
De stilte, de groote, plechtige, plotselinge roerloosheid en stilte
van de menigte was nog het indrukwekkendste en het aangrijpendste
van alles. Die rooie, gezonde gezichten der toeschouwers, die
welgedane, lustige kerels wien niets ontbeerde, daar zagen ze nu
eindelijk van heel dichtbij, Dat waar ze maanden van gedroomd en
zich mee opgewonden hadden: een tafereel uit den oorlog!... Dat was
er nu geworden, door honger, door uitputting, door wreedheid, door
bloed, van al die menschen--hun medemenschen--die niet eens wisten
waarom zij zoo gevochten hadden en als wilde beesten naar den dood
werden gejaagd! 't Was helsch van folterende onrechtvaardigheid,
't was als de zwijgend-wraakroepende dreiging van een gansche
Menschheid, als een stomme, reuzenstormloop die, ten hemel
opgestegen, machteloos verpletterd door het gruwbaar Noodlot op de
aarde weer in puin stortte.
--Och Hiere toch! Och Hiere toch!" snikte plotseling mevrouw
Fruytier, zich aan den arm van haar man vastklampend.
--Zwijg!" kreet hij, "zwijg!" haar heftig van zich afschuddend. En
eensklaps, door het schouwspel overweldigd, kon hij zich ook niet
goed meer houden, en midden in zijn vrienden, die hem
stom-en-star-verbaasd aankeken, begon hij zelf te huilen en te
snikken als een kind...
* * * * *
Enkele weken later droeg meneer Fruytier opnieuw zijn vollen baard.
Zijn oogen hadden een zachtere uitdrukking gekregen, zijn houding
was gedweeer, zijn woord klonk kalmer, bedaarder, zonder stroeve
autoriteit.
Hij leek in het geheel op Peetje Pruis niet meer...
IX.
VAN TOEKOMST EN VERLEDEN.
Dat duurt nu al jaren en jaren, dat ik af en toe weer eens aan
Zieneken, aan haar ouden vader en haar oude moeder en aan hun jong
koewachterken denk...
't Was in de lente. De beekjes vloeiden snel en helder, de lucht was
ijl en blauw, met hoogdrijvende, witte wolkjes. Het malsche,
groene gras tintelde van zilveren madeliefjes en van gouden
boterbloempjes en overal stonden de oude boomgaarden in vollen
prachttooi.
Het boerderijtje van Zienekens ouders lag daar poetisch verscholen,
met zijn oud-verweerde, grijze stroodaken, in de schaduw van het
groot kasteelpark. Het huisje was in heel licht roze gekleurd, met
een heldergroen boogdeurtje en heldergroene luikjes. De kleine,
groenachtige ruitjes van de vensterramen waren in lood gevat.
Zieneken, twintig jaar oud, was eenig kind en woonde daar alleen, met
haar op lateren leeftijd gehuwden vader en moeder.
Zij was een mooi boerinnetje. Kaarsrecht, slank van gestalte en toch
poezelig van vormen, sierlijk-harmonieus van lichaamsbouw, met
fijne, smalle voetjes, een blozend gezicht, donkere, om de slapen
heel liefelijk krullende haren, tintel-lachende bruine oogen en
zulke mooie, glinsterwitte tanden in haar frisschen mond met roode
lippen, dat men er voortdurend in bewondering naar kijken
moest.--Ook haar ouders waren vriendelijke menschjes: vader, een
guitig gezicht, altijd vroolijk en zeer jong van hart nog; moeder
soms een beetje pruttelig en brommerig, over "den nieuwen tijd"
zooals ze 't noemde, waarin de jonge meisjes veel te veel van luxe
en schoone kleeren hielden; maar toch ook dadelijk weer opgewekt
door de aanstekelijke vroolijkheid van vader, lachend-hoofdschuddend
om zijn voortdurende grappen en heel innig in den grond op hem
gesteld, hem koesterend en verzorgend met teedere, haast moederlijke
liefde. Zij was vier jaar ouder dan hij en beschouwde hem zoowat
alsof hij twintig jaar haar jongere was. "Mijn ouwste kind" noemde
ze hem soms.
* * * * *
't Was lente, lieve, zachte, heerlijke lente... De heldere beekjes
neurieden hun suizend liedje, het jonge groen sprong overal
frischlevend uit, de oude ruige boomen van den boomgaard bloeiden.
Hun witte en roze kruinen wolkten in geurige tuilen rondom de
verweerde, grijze schuur ten blauwen hemel op en 't bloeiend groene
gras was bij plaatsen wit-en-roze-zacht bezaaid met al de
overvloedige weelde van hun vederlicht-neerzijgende blaadjes. En
't was of zelfs het frisch-geverfde roze huisje bloeide, zoo
liefelijk-harmonieus en teer als het daar midden in die feerie van
licht en kleur en zoeten geur te lachen en te schitteren stond.
* * * * *
Nu en dan bracht ik een bezoek op het kasteel, waar vrienden
woonden; en meestal, om den weg te bekorten, en misschien ook wel om
nog eens even Zieneken te zien, ging ik over 't erf van
't boerderijtje heen. Dan liep ik even binnen in het huisje, vroeg
of ik weer eens over 't erfje mocht, hield mij daar een oogenblik op
en maakte een praatje, om 't frissche meisje aan het lachen te
krijgen en nog eens haar donkere oogen te zien stralen en haar
ongeevenaarde witte tanden te zien schitteren. Zij was wel een
beetje koket en voelde best waarom ik telkens kwam, en lachte en
oogenstraalde en schittertandde dat het een genot was.
Dien middag, toen ik met het gewone "Es er gien belet?" onder den
lagen boog van 't groene deurtje bukte en in 't roze huisje
binnentrad, kreeg ik geen antwoord op mijn beleefdheidsvraag. Ik vond
er het boerenkeukentje netjes maar leeg. Even bleef ik er in mijn
eentje staan kijken, innig mij in al die keurige en vriendelijke
netheid verlustigend. 't Was om het zoo uit te schilderen: de
versch-geboende tegelvloer rood-glinsterend, de koperen melkemmers
blinkend tegen den wit-gekalkten muur; en, in de zwarte haardstee,
onder den zwartgerookten schoorsteen, een heel klein houtvuurtje,
reeds half verkoold tot bleeke asch, en waarvan de twee laatste
kleine vlammetjes heel eigenaardig speelsch en grillig, met korte,
schichtige schokjes, als twee dansende kaboutertjes, tegen elkaar
schenen op te wippen en te stoeien. Zij sprongen likkend naar
elkander toe, doofden elkaar met een rookstaartje uit, staken elkaar
als voor de grap weer aan, het een 'n ietsje grooter dan het andere;
en 't kwam mij voor of het twee koddige huisbeestjes waren, die in
afwezigheid der meesters, vol lustige vrijheid baasje speelden.
Rechts van den haard stond de leege, oude armleuningstoel van
Zienekens vader; links hurkte zich het laag, diep-ingezakt
werkstoeltje van Zienekens, moeder. De groene, vierkante tafel glom
van netheid als een donkere spiegel; midden op de kleine bruine
eetkast stond de bruine, gesloten naaidoos met groen speldekussen; in
het wit-porseleinen wijwaterbakje boven den schoorsteenmantel stak
scheef een frischgroen palmtakje; en de lange, bruine kasthorloge met
grauwzinken uurplaat in den hoek tegen den achterwand, deed grappig
denken aan een oude, houtmagere vrouw met grijs en zuur gezicht, die
midden in haar buik, op navel-hoogte, een groot, rond glazen oog had
staan, waarachter de rondkoperen slingerschijf langzaam-tikkend heen
een weer bewoog. Dat alles leefde wonderbaarlijk-intens in zijn
verlaten eenzaamheid; en door de kleingeruite, groenachtige
vensterraampjes zeefde in die volle harmonie van het actief stilleven
een heel zacht-getemperd, bijna teeder-wazig licht naar binnen: het
rozig-wit-bloeiend weerschijnsel van de geurig-opwolkende
lentekruinen in den oud-knoestiger boomgaard daarbuiten...
* * * * *
Ik keer mij om en ga naar de deur toe. Even van op den drempel al die
omgevende zachte heerlijkheid nog genoten en dan naar de schuur, waar
ik weldra, door het halfduister, rechthoekig gat eener openstaande
deur, vagelijk Zienekens bekoorlijke gestalte ontwaar.
Zij hoort mij naderen, kijkt om, komt even half buiten, wenkt mij,
met een geheimzinnig, vlug gebaar, bij zich.
Ietwat verwonderd loop ik stilletjes naar haar toe.
--Wilt-e nou ne kier wa zien, meniere, dat-e zeker nog noeit van ou
leven gezien 'n het?" fluistert zij met een vreemde, half lachende.
half ernstige en bijna booze en bange uitdrukking over haar frisch
gelaat. "Moar stille, stille, dat hij ou nie 'n heurt." En
schoorvoetend trekt ze mij mee in het halfduistere der schuur.
Een eigenaardig geluid, achter een plankenbeschot, treft er mijn
oor. 't Is of er daar gevochten wordt, in 't stroo. Ik hoor hijgen.
zwoegen, dof bonzen en stampen; en 't is of er de stroohalmen onder
een stormwind door elkaar worden geslingerd en gezweept.
--Wat es da, Zieneken?" vraag ik verbaasd.
--Stt!" sist ze, met den vinger voor den mond. En zacht duwt ze mij
half om den hoek van de planken-afsluiting naar voren.
Het duurt een poosje voor ik in die grauwe schemering iets
duidelijks onderscheiden kan. Mijn oogen moeten er aan wennen. Maar
door een dubbel rijtje pannen onder 't lage stroodak schitteren
licht-wafeltjes; en eindelijk zie ik:
In een hoek der schuur een grijsgeel hoopje stroobundels. Midden op
die bundels, woest heen en weer springend, hijgend, wroetend,
stampend, schuddend, beukend met zijn beide vuisten, een heel jong
kereltje, een knaap van misschien twaalf of dertien jaar. Hij schopt
en slaat in 't ritselende stroo, hij herhaalt met een geknor van
toorn zijn aanloop en telkens zie ik, in zijn wildgezwaaide
rechterhand, de glinsterschicht van een getrokken mes opflikkeren,
dat hij wreedaardig-diep in den hoop boort en er heen en weer in
wringt. Het is een akelig gezicht van baldadige woestheid; en, niet
begrijpend, kijk ik Zieneken onthutst en ondervragend aan.
--Da es iets, e-woar?" fluistert ze bevend. En plotseling springt ze
toe en gilt ze 't verontwaardigd uit:
--Feel! gie leulijke sloeber! Wilt 'n kier seffens uitschien!"
Als bij tooverslag houdt het op. Doodverschrikt keert het kereltje
zich om, staat daar even sidderend voor ons, met zijn mes in de hand.
Zieneken grijpt hem bij den kraag, sleurt hem naar buiten, rukt hem
't mes uit de hand en schudt hem heftig heen en weer. Het is een
kleine, rosblonde rakker met lichte oogen en het aangezicht vol gele
sproeten. Hij hijgt en jaagt en zijn gezicht is opgeblazen en
paarsrood van wilde inspanning.
--Es da nou gien schande, meniere!" krijscht Zieneken opgewonden.
"Da es nou al den twieden kier da 'k hem azeu betroape; moar as
't nou nog ne kier gebeurt, vliegt hij 't hof af, op stroate! Ala,
leulijke sloeber, noar ou wirk; en 'n kom van doag onder mijn eugen
nie mier!"
Zij knijpt en schudt hem nog eens flink door elkaar en met een mep
om zijn oor, die hem even doet huilen, maakt hij zich uit de voeten.
Meer en meer verbaasd kijk ik Zieneken aan. Wat is ze pittig en
mooi, in haar schielijk uitbarstende woede! Zoo moet ik haar toch
nog eens eventjes goed opnemen, voor ik haar verder over dat gekke
gedoe ondervraag. Haar donkere oogjes flikkeren als karbonkels, haar
wangen gloeien, kleine, donkere krulletjes hebben zich om haar
voorhoofd en haar slapen losgewrongen; en haar mondje, haar mooi
rood-lippen-mondje, dat hijgend half-open staat van toorn en
inspanning, laat, beter nog dan in het vroolijk lachen, al haar
schitterwitte tandjes zien, de kleine, nu kwaadaardige, nijdige,
bijtende tandjes, maar toch zoo wit en fijn en recht en zoo
verrukkelijk mooi, dat men haast wenschen zou er een knauwtje van te
krijgen.
--Wa es er toch gebeurd, Zieneken, mee da koewachterken? Tegen wie
vecht hij doar mee da mes?" vraag ik eindelijk.
Zieneken vertelt het mij. Die kleine snotvent, die
kwajongen-koewachter van dertien jaar is me toch waarachtig verliefd
geworden op een jong meisje uit de buurt, waar een andere koewachter,
van ongeveer denzelfden leeftijd, insgelijks verliefd op is. Verleden
zondag zijn ze uit jaloerschheid aan 't kijven gegaan en bijna
handgemeen geworden; en wat doet me die gemeene schavuit nu: hij
koopt zich een mes en leert er tegen stroobundels mee vechten, om er
dan later, bij de eerste botsing, zijn echten vijand mee te lijf te
gaan. En dan zal 't bloed wel stroomen!... "O, meniere, azeu
'n sloeberken, doar 'n he-je gien gedacht van! 't Es ne veurvechter;
ge zult doar loater van heuren! Dat hij zeu goe nie 'n woare veur
zijn wirk w'han hem al wel honder kiers wiggezonden..."
* * * * *
Zieneken, Feelken de koewachter, het roze boerenhuisje met zijn
eigenaardig binnen-stil-leven, het bloeiende boomgaardje, onder de
hooge, donkere kruinen van 't kasteelpark... wat is dat alles toch al
lang geleden...!
Op het kasteel wonen nu andere menschen en ik kom er nooit meer. Zoo
heb ik ook in jaren 't boerderijtje niet weergezien. Wat is er
geworden van Zieneken, van haar ouden vader en haar oude moeder, van
't vechtlustig Feelken... ik weet het niet!--Zoo nu en dan, in den
loop der jaren, heb ik eraan gedacht, en telkens ook weer het
verlangen gevoeld om er iets meer van te weten. Toch maar een vaag,
vluchtig verlangen; iets dat even, met de herinnering der speelsche
vlammetjes in 't eenzaam haardje, voor mijn geest opglansde en als
een dwaallichtje verdween. Doch gisteren,--hoe of waarom juist
gisteren zou ik niet kunnen verklaren, want niets bizonders gaf er
eenige aanleiding toe--gisteren kwam het zich eensklaps met de
kracht van een obsessie aan mij opdringen... Zieneken, Feelken, de
oudjes, het roze boerderijtje onder de bloeiend-opwolkende kruinen
van zijn lenteboomgaardje, het sarde en kwelde alles dooreen in mijn
geheugen, ik kreeg er heimwee naar, ik moest er heen.
* * * * *
't Is winterdag, en grijs en koud, en vuil en vochtig.--De
wagensporen in den blonden zandweg kronkelen als geel-glimmende
moddergeulen door het naakte veld. Hier en daar liggen groote, vieze
waden, dwars over de volle breedte van de baan. Een kille wind blaast
scherp en nijdig door het nat-klapperend rapenloof; trage, loome
benden raven zwerven droevigkrassend rond en in de effengrijze lucht
zweeft ook nu en dan dofsnorrend een heele zwerm van kleine vogeltjes
voorbij, vlug-knippend met de fijne vlerkjes, fijntriestig tjilpend
als van weemoedig, heimweeig verlangen, in hun haastige, haastige
vlucht naar mildere oorden.
Daar staat, hoog en streng als een zwart-ondoordringbare berg, de
sombere reuzenmassa van 't kasteelpark; daar ligt, vlak eronder, en
als 't ware er door in den grond gedrukt, het kleine, nog altijd
roze boerderijtje. Ik duw het grijze hekje open, stap dwars over het
winterdoodsche boomgaardje, kom voor het groen, half open
boogdeurtje.
--Gien belet?'
--Kom moar binnen," klinkt een onverschillige stem.
--Dag Zieneken!..."
Pages:
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 | 9 |
10